Van Gogh Nationaal Park

2.1 HET BEKENLANDSCHAP ALS RUGGENGRAAT VAN HET VAN GOGH NATIONAAL PARK De identiteit van Brabant Het Brabantse zandlandschap, met zijn hoger gelegen dekzandruggen, slingerende beekdalen en kletsnatte broekgebieden vormt de natuurlijke ruggengraat van het Van Gogh Nationaal Park. De stromende beken rijgen nog altijd de dorpen en steden aaneen, en vormen van oudsher de levensaders van de Brabantse maatschappij. Beken en beekdalen zijn herkenbaar in het landschap en hebben een grote ecologische en maatschappelijke betekenis. Van oudsher was Noord-Brabant kletsnat. Braecbant is een samenvoeging van ‘braec’, dat broek of drassig land betekent, en ‘bant’, de aanduiding voor ‘streek’. Water is bepalend geweest voor de vorming van het landschap. De geomorfologische ontstaansgeschiedenis is nog steeds in het landschap te zien, in de zuid-noord gerichte beekdalen en de west-oost gerichte dekzandruggen. De beekdalen werden gevormd tijdens de vroegere ijstijden. In de zomers groeiden de waterlopen dan uit tot honderden meters brede smeltwaterstromen. Zo schuurden ze brede, glooiende laagtes uit, de huidige beekdalen. Daarmee vergeleken zijn de huidige beken maar kleine stroompje in een veel te breed stroomdal. Bijzonder aan de Brabantse beekdalen is dat dit afwateringspatroon geblokkeerd werd door dekzandruggen. Dat gebeurde in de laatste ijstijd, die zo’n 10.000 jaar geleden eindigde. Grote delen van hoog-Nederland werden bedekt onder een laag dekzand. Door de overwegend westenwind ontstond in Brabant een patroon van langgerekte dekzandruggen met tussenliggende laagtes, die globaal west-oost liepen, dwars op de richting van de beekdalen. De grotere dekzandruggen verstoorden de afwatering van de beken. Sommige beekdalen werden helemaal overstoven. In de geblokkeerde beekdalen ontstonden moerasachtige veenebieden. Sommige beken braken meanderend door de dekzandruggen. Andere verlegden hun loop om de dekzandrug heen, om daarna weer in noordelijke richting af te buigen. HET MET BEKEN DOORADERDE BRABANTSE LANDSCHAP Dit patroon van ruggen en laagtes is bepalend geweest voor de bewoonbaarheid van het gebied - én voor het karakter van onze huidige natuurgebieden. De drogere ruggen waren geschikt voor bewoning en akkerbouw. Op die overgangen van droge naar natte gronden ontstonden de eerste dorpen. De grootste en hoogste ruggen waren te droog voor landbouw. Hier ontstonden de ‘woeste gronden’ met heide, bos of stuifzand. De Loonse en Drunense Duinen, de Oisterwijkse Vennen en Bossen en de Oirschotse Heide liggen grotendeels op dat soort hogere dekzandruggen. De natte laagten tussen de ruggen waren vooral in gebruik als grasland of nat bos. Als deze laagtes uitgestrekt waren, werden ze ‘broekgebieden’ genoemd. Het van Gogh Nationaal Park bestaat voor een groot deel uit deze van oorsprong zeer natte gebieden. Het Bossche Broek is zo’n laag broekgebied, dat tegenwoordig tot de verbeelding spreekt, als natuurgebied pal tegen het stadscentrum van ‘s-Hertogenbosch. Vanaf de negentiende eeuw is fors geïnvesteerd in de aanleg van kanalen, enerzijds om de watervoorziening (in met name het oostelijk deel van de provincie) te optimaliseren, anderzijds om de transportmogelijkheden te verbeteren. De aanleg van de kanalen heeft bijgedragen aan de (industriële) ontwikkeling van Noord- Brabant, bijvoorbeeld in Tilburg, Helmond, Eindhoven en Veghel. Nog steeds hebben veel kanalen een belangrijke economische en hydrologische functie. Ook zijn verschillende tracés belangrijk als toeristische of ecologische verbinding, en vinden er rond kanalen en havens nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaats (stad-land verbinding, woningbouw). 47 48

RkJQdWJsaXNoZXIy ODY1MjQ=