Praatjesmaker

praatjesmaker Magazine voor professionals | Uitgave van Nutricia voor (para)medici nr 1 | 2026 editie 37 De puzzel achter sondevoeding voor kinderen Rome V-criteria radicaal gewijzigd Richtlijnen IgE-gemedieerde koemelkallergie

- 12 16 07 Inhoud Interviews 04 08 12 Wetenschappelijk 07 15 16 Divers 11 18 19 19 20 2 Rome-criteria zijn radicaal gewijzigd. Marc Benninga Richtlijnen IgE-gemedieerde koemelkallergie. Berber Vlieg-Boerstra De puzzel achter sondevoeding voor kinderen. Rudolf Bakker en Akke Botma Video: Nutricia zet deuren open Verslag: Tegenwicht voor social media en influencers Onderzoek: Leefstijl en eetgedrag van extreem prematuren Column: Luisteren naar patiënten en gezinnen. Marleen Kleijn Reflux Keuzetool Handige video koemelkallergie Scholingsaanbod Casus: Syndroom van Down en coeliakie 20

Van de redactie Wetenschappelijk onderzoek kan ervoor zorgen dat beleid verandert of richtlijnen aangepast worden. Mooi voorbeeld zijn de nieuwe Rome V-criteria voor gastro-intestinale klachten bij kinderen. Deze zijn recent ingrijpend veranderd. En ook de richtlijn IgEgemedieerde koemelkallergie is vorig jaar herzien op basis van systematische reviews van wetenschappelijk onderzoek. In deze PraatjesMaker besteden we er volop aandacht aan. Prof. dr. Marc Benninga praat u bij over de Rome V-criteria waaraan hij heeft meegewerkt. En diëtist-onderzoeker Berber Vlieg-Boerstra vertelt in het interview op pagina 8 meer over de praktische toepassing van de Richtlijn IgE-gemedieerde koemelkallergie waaraan zij heeft meegewerkt. Ook bij Nutricia ondersteunen we én doen we wetenschappelijk onderzoek en nemen we uitkomsten mee bij de ontwikkeling van onze producten. Wat er allemaal komt kijken bij het ontwikkelen van sondevoeding en welke afwegingen er gemaakt worden, leest u in het interview dat we hadden met een onderzoeker en met een product design en development manager van Danone. Ook andere medewerkers van Danone geven een kijkje in de keuken en laten zien hoe het er bij Nutricia aan toe gaat. En natuurlijk geven we in deze uitgave een jonge onderzoeker een podium: arts-onderzoeker Nina Frerichs keek in de Generation P-studie hoe het met leefstijl en eetgedrag staat van extreem prematuren. Wie weet gaan de uitkomsten van haar onderzoek op termijn ook zorgen voor nieuw beleid of aangepaste richtlijnen. Veel leeslezier! Redactie PraatjesMaker scholing@nutricia.com Redactie-adres: Nutricia Nederland, Postbus 445, 2700 AK Zoetermeer. Beweringen en meningen geuit in de artikelen en mededelingen in deze publicatie zijn niet noodzakelijkerwijs die van de redactie. Grote zorgvuldigheid wordt betracht bij de samenstelling van de artikelen. Desondanks kunnen onjuistheden niet altijd worden voorkomen. Om die reden wijst Nutricia elke verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid bij voorbaat af. Overname van informatie uit PraatjesMaker is uitsluitend toegestaan in overleg met de redactie. Merel Geurtse Jeugdarts KNMG Centrum voor Jeugd en Gezin, Apeldoorn Elvira George Kinderarts MDL Noordwest Ziekenhuisgroep, locatie Alkmaar Gerda van de Put Head of Medical Affairs paediatrics Nutricia Tekst, ontwerp en realisatie: Scriptum communicatie over voeding en gezondheid Beeld: iStockphoto, Nutricia 3 Pascalle Andela Diëtist kindergeneeskunde en allergie Reinier de Graaf, Delft

De nieuwe Rome V-criteria voor gastro-intestinale klachten bij kinderen zijn ingrijpend veranderd. De term regurgitatie is niet meer opgenomen in de nieuwe criteria en de term koliek is vervangen door de nieuwe term “infant distress syndrome”. Ook zijn er nieuwe aandoeningen opgenomen, zoals refluxhypersensitiviteit en eetstoornissen. Kinderarts-MDL Marc Benninga, betrokken bij de ontwikkeling, licht de belangrijkste veranderingen toe. Interview Rome-criteria zijn radicaal gewijzigd 4

Na 10 jaar zijn er weer nieuwe Rome-criteria (zie kader). Ten opzichte van de Rome IV-criteria is er zoveel veranderd, dat Benninga niet goed weet waar te beginnen. Een duidelijk verschil is in ieder geval dat het onderscheid in leeftijdsgroepen in de Rome V-criteria is losgelaten. Hij legt uit: ‘Voorheen waren er twee groepen deskundigen. De ene hield zich bezig met gastro-intestinale klachten bij kinderen van 0 tot 4 jaar en de andere bij kinderen van 4 tot 18 jaar. Maar er is helemaal geen onderbouwing voor die leeftijdsgrens. Gedurende de hele kindertijd en adolescentie kunnen aandoeningen voorkomen.’ Wel is er nu onderscheid op basis van anatomie. Benninga: ‘Ik zat samen met Michiel van Wijk, kinderarts-MDL in het Emma Kinderziekenhuis van Amsterdam UMC, in de commissie voor aandoeningen aan het bovenste deel van het maagdarmkanaal. Een andere commissie richtte zich op aandoeningen aan het onderste deel, waarbij Arine Vlieger, algemeen kinderarts in St. Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein betrokken was.’ ‘Met de term “darm-hersen-as” benadrukken we waar we denken dat de oorzaak zit’ Darm-hersen-as Nog een belangrijke wijziging: er wordt niet meer gesproken over functionele gastro-intestinale aandoeningen maar over aandoeningen van de darm-hersen-as. Benninga licht toe: ‘We gebruikten het woord “functioneel” altijd voor aandoeningen waar geen lichamelijke oorzaak aan ten grondslag ligt en waar we niet echt een goede verklaring of oorzaak voor hebben. Ondanks bepaalde symptomen laten testen van bloed, ontlasting en beeldvorming geen afwijkingen zien. Maar het woord is ontzettend moeilijk om uit te leggen aan patiënten en ook artsen hebben moeite met deze term. Met de nieuwe term “aandoeningen van de darm-hersen-as” benadrukken we dat we denken dat de oorzaak zit in verbinding tussen de darmen en de hersenen. Het heeft verder niets met diagnoses te maken; het is enkel een andere terminologie.’ Reflux hypersensitiviteit Een belangrijk onderdeel van de aandoeningen van het bovenste deel van het maagdarmkanaal in Rome V vormen slokdarmaandoeningen. Regurgitatie is verdwenen uit de criteria. Benninga: ‘We hebben besloten om dit uit de Rome-criteria te halen omdat het geen ziektebeeld is maar normale fysiologie. Er was altijd al veel discussie over hoe vaak er sprake Prof. dr. Marc Benninga Kinderarts MDL Amsterdam UMC/Emma Kinderziekenhuis 5 Rome-criteria De Rome-criteria zijn internationaal overeengekomen diagnostische criteria die worden gebruikt om functionele gastro-intestinale aandoeningen te herkennen, oftewel klachten waarbij geen aantoonbare lichamelijke oorzaak wordt gevonden. Deze criteria worden opgesteld door een internationale groep van experts en vormen wereldwijd de standaard voor het indelen en diagnosticeren van functionele buikklachten, tegenwoordig dus verstoringen van de darm-hersen-as genoemd.

moest zijn van spugen om van regurgitatie te kunnen spreken. Maar iedere baby spuugt; het ligt gewoon aan de anatomie van de slokdarm in de eerste 6 maanden. Groeit het kind goed? Dan is er geen probleem, hoeveel voeding er ook terugkomt.’ In Rome V wordt nu – in navolging van de volwassenengeneeskunde - gesproken van reflux hypersensitiviteit. Benninga licht toe: ‘Daarbij is sprake van een combinatie van reflux en pijn, zonder overmatige zuurproductie. De symptomen worden ook niet verklaard door een andere medische aandoening; bij eventuele endoscopie en histologie worden er geen afwijkingen van de slokdarm gevonden. Omdat kinderen onder 8 jaar pijn lastig kunnen beschrijven, is bij deze aandoening wel onderscheid in leeftijd gemaakt bij de diagnostische criteria.’ Geen darmkrampjes meer Bij de aandoeningen van het onderste deel van het maagdarmkanaal valt vooral het omdopen van “infantile colic” tot “infant distress syndrome” op. Hoewel Benninga niet zelf in deze commissie zat, is hij wel gelukkig met deze nieuwe term: ‘Voor ouders is de term krampjes weliswaar ingeburgerd, maar eigenlijk weten we helemaal niet of die baby’s krampen hebben. We weten alleen dat ze huilen vanwege ongemak.’ ‘De term “infantile colic” is omgedoopt tot “infant distress syndrome”’ Eetstoornissen Het meest nieuwe en uitdagende in de Rome V-criteria noemt Benninga de opname van eetstoornissen, die voorkomen bij 5-20% van de kinderen. Tot nu toe kwamen ze alleen aan bod in de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) V-criteria die in de psychiatrie gebruikt worden, maar veel (ouders van) patiënten komen ermee bij de kinderarts. De commissie vond het daarom nodig om ze in de Rome-criteria op te nemen. Anders dan de DSM V, die alleen spreekt van ARFID (Avoidant/Restrictive Food Intake Disorder), maakt Rome V onderscheid in vier verschillende vormen van deze voedingsproblemen. Het gaat om (de Nederlandse vertalingen moeten nog worden gemaakt): “hypersensitive dysphagia”, “anticipatory restrictive feeding”, “hunger dysregulation disorder” en “medially-triggered functional feeding disorder”. Nieuwe aandoeningen Andere nieuwe aandoeningen in de Rome V-criteria zijn bijvoorbeeld “supragastrisch boeren” en “proctalgia fugax”. Benninga: ‘Kinderen met supragastrisch boeren kunnen wel 30 tot 40 keer boeren terwijl ze bij je in de spreekkamer zitten. En die lucht komt niet vanuit de maag, maar vanuit de slokdarm.’ Proctalgia fugax was al bekend bij volwassenen, maar het kan ook bij jonge kinderen voorkomen. Benninga: ‘Het gaat om heel erg pijnlijke anale krampen, die nu voor het eerst beschreven worden bij kinderen. Het is goed om als kinderarts van het bestaan te weten, ook al is er niet altijd een goede behandeling voor.’ Benninga is benieuwd hoe de nieuwe Rome V-criteria worden ontvangen door het werkveld. ‘Omdat er zoveel veranderd is, betekent het in ieder geval dat collega’s zich er goed in moeten verdiepen. Maar het is wel leuk dat er zoveel evolutie zit in ons vak!’ • Vervolg pagina 5 Reflux hypersensitiviteit Diagnostische criteria bij kinderen onder 8 jaar Intermitterende symptomen die: • geassocieerd lijken te zijn met gastro‑oesofageale reflux • pijn suggereren • ernstiger zijn dan verwacht kan worden op basis van een normale ontwikkeling voor de leeftijd • invloed hebben op dagelijkse activiteiten die passen bij de leeftijd en/of de kwaliteit van leven • ten minste 3 dagen per week voorkomen 6 Literatuur: • Rosen, R. et al. Rome V Pediatric Upper Gastrointestinal Disorders of Gut-Brain Interaction. Gastroenterology 2026. • Di Lorenzo, C. et al. Lower and Biliary Disorders of Gut-Brain Interaction: Child/Adolescent. Gastroenterology 2026.

Wetenschap Ouders willen het beste voor hun kind. Logisch dus dat ze vragen hebben, bijvoorbeeld over de kwaliteit van Nutrilon voedingen. Nutricia zet daarom de deuren open en introduceert een video waarin medewerkers van Nutricia worden geïnterviewd. Zo kunnen ouders zelf zien hoe Nutrilon gemaakt wordt en dat Nutricia continue haar babyvoeding verbetert. contaminanten, dan vereist volgens de meest veeleisende regelgevende kaders.’ Zorg & beschikbaarheid In de derde aflevering gaat de interviewer met Charlotte Maintz van de Careline mee naar het Nutricia Careline-centrum. De Careline bestaat uit een team van voedingskundigen dat 24/7 voor jonge ouders én zorgprofessionals klaarstaat. De Careline is bereikbaar via whatsApp, e-mail, telefoon of live chat op sociale media. ‘Wij hechten veel waarde aan het welzijn van baby’s en ouders, en we zijn erg trots wanneer we hen kunnen helpen.’ Wetenschap In aflevering 4 komt Alma Nauta, Sr. Director Medical Affairs & Clinical Nutrition aan het woord. Volgens haar wordt vaak gezegd dat door wetgeving alle flesvoeding hetzelfde is. ‘Iedere voeding voldoet inderdaad aan minimumeisen ten aanzien van de samenstelling. Maar als fabrikant mag je wel extra ingrediënten toevoegen volgens de laatste wetenschappelijke inzichten. Zoals 3’GL vezels (postbiotica) in Nutrilon Opvolgmelk. Deze ontstaan door ons natuurlijke en unieke fermentatieproces.’ • Nutricia zet deuren open In 4 afleveringen is te zien hoe Nutrici omgaat met veiligheid & transparantie, kwaliteit, zorg & beschikbaarheid en wetenschap. Veiligheid & transparantie In de eerste aflevering wordt als voorbeeld opvolgmelk besproken. Barry de Wit, Quality & Technology Director Haps Factory vertelt onder andere dat alle producten voldoen aan de strengste kwaliteitscontroles, veiligheidscontroles en veiligheidsnormen en voorwaarden voor opvolgmelk. ‘De producten zijn gecertificeerd door een onafhankelijk testlaboratorium. En elk product is getest op meer dan 1.000 controlepunten tijdens het productieproces.’ Kwaliteit De samenstelling van opvolgmelk is wettelijk vastgelegd en daarnaast moet alle opvolgmelk voldoen aan strenge voorwaarden, ook voor wat betreft veiligheid. Dat licht Barry de Wit in de fabriek toe in de tweede aflevering: ‘Onze kwaliteitsnormen zijn zelfs strenger dan de Europese regelgeving. En wanneer de wetenschap zich ontwikkelt, doen wij dat ook. We testen ook op 3 keer meer potentiële vervuilende stoffen, zogenoemde 7 Scan de QR-code en bekijk de video online

De laatste richtlijn bij koemelkallergie dateerde uit 2012. Het was dus tijd voor een grondige update waarbij meteen een uitsplitsing is gemaakt naar een richtlijn IgE-gemedieerde en een richtlijn niet-IgE-gemedieerde koemelkallergie bij kinderen. Waarom dit onderscheid? En wat zijn de belangrijkste adviezen voor kinderen met de IgE-gemedieerde variant? Interview Richtlijnen IgE-gemedieerde koemelkallergie 8

Diëtist-onderzoeker Berber Vlieg-Boerstra werkte mee aan de totstandkoming van de richtlijn IgEgemedieerde koemelkallergie bij kinderen. Ze vindt die uitsplitsing naar IgE en niet-IgE heel logisch. ‘Voorheen was er geen strak onderscheid tussen IgE- en niet-IgE-gemedieerde koemelkallergie. Maar in de loop der jaren is steeds duidelijker geworden dat het onderscheid tussen de verschillende typen koemelkallergie cruciaal is. IgE-gemedieerde koemelkallergie kan leiden tot anafylaxie en wordt daarom in de tweede en derde lijn behandeld. Behandeling vindt plaats bij de kinderarts(-allergoloog) en deze, of een gespecialiseerd diëtist, schrijft dieetvoeding voor. Milde niet-IgE-gemedieerde koemelkallergie wordt door de huisarts of - bij voorkeur - door de jeugdarts gediagnosticeerd en behandeld.’ ‘Onderscheid tussen de verschillende typen koemelkallergie is cruciaal’ Tijdelijk bijvoeden met flesvoeding op koemelkbasis? De nieuwe richtlijn IgE-gemedieerde koemelkallergie geeft handvatten voor preventie en behandeling. Vlieg–Boerstra: ‘Wat betreft preventie hebben we bijvoorbeeld gekeken naar een antwoord op de vraag “Kan het kwaad om een pasgeboren baby die borstvoeding krijgt, tijdelijk bij te voeden met standaard flesvoeding op koemelkbasis?”. Er is eindeloos discussie over de vraag of hierdoor het risico op koemelkallergie hoger wordt. Na grondig onderzoek denken wij dat we het antwoord daarop nog niet kunnen geven.’ Voor het opstellen van richtlijnen worden systematische reviews gedaan. ‘En dat is heel zorgvuldig gebeurd’, vertelt Vlieg– Boerstra. ‘Methodologen doen dat voor ons. Wij van de werkgroep selecteren hiervoor in tweetallen de studies, methodologen beschrijven de onderzoeken en bekijken ze methodologisch. Dat is hoe het standaard werkt bij opstellen van richtlijnen. Maar bij deze vraag over het risico op koemelkallergie hebben wij zelf alle studies nógmaals bekeken. We hebben alle details nog een keer opgeschreven omdat we zeker wilden zijn niets te missen. Onze conclusie is dat alle studies die zeggen dat tijdelijke blootstelling wel kwaad kan, een enorme bias hebben; zo zijn ze verschillend van opzet, hebben een verschillende duur, de hoeveelheid gegeven voeding is verschillend en/of niet nauwkeurig in kaart gebracht. Dus hebben wij geconcludeerd dat een goede prospectieve gerandomiseerde studie nodig is of ten minste een case-control-studie om het antwoord te kunnen geven.’ Dr. Berber Vlieg-Boerstra Diëtist-onderzoeker, OLVG in Amsterdam, Rijnstate Allergiecentrum in Arnhem en Vlieg diëtisten in o.a. Arnhem 9 Scan de QR-code en bekijk de richtlijn

Moeder geen koemelkvrij dieet Borstvoeding is de gouden standaard. Eet of drinkt een moeder, tijdens de lactatieperiode, (producten met) koemelk, dan is een reactie bij een kind met een IgE-gemedieerde allergie vrijwel uitgesloten. ‘Als we kijken naar moedermelk, dan zit daar ongeveer een miljoenste in van de hoeveelheid koemelkeiwit die in flesvoeding zit. Dat is echt super weinig. Strikt genomen kan het eigenlijk niet dat een kind met een IgE-gemedieerde koemelkallergie daarop reageert. De moeder kan producten met koemelk dus gewoon blijven gebruiken. Sterker nog, het is beter voor de samenstelling van haar moedermelk en voor het immuunsysteem van het kind als ze zuivel gewoon blijft nemen. Want ook al zit er zo weinig van in haar borstvoeding, elke blootstelling geeft bij het kind een immuunrespons en dat kan ook een zogenoemde tolerantie inducerende respons zijn. Dat is een specifieke reactie van het immuunsysteem waarbij het afweersysteem besluit niet aan te vallen op een voedingseiwit, maar juist te accepteren. Als een kindje hier niet aan wordt blootgesteld, krijgt het ook geen kans het immuunsysteem te ontwikkelen.’ ‘We zien wereldwijd dat best vaak sprake is van achterblijvende groei bij koemelkallergie’ Aminozuurvoeding bij achterblijvende groei Als een kind een IgE-gemedieerde koemelkallergie heeft en geen borstvoeding krijgt, adviseert de richtlijn intensief gehydrolyseerde voeding (eHF). Volgens Vlieg– Boerstra begin je daarmee en kun je volgens de richtlijn aminozuurvoeding adviseren als de groei achterblijft of de groei onvoldoende herstelt bij gebruik van een eHF of als een kind toch nog IgE-gemedieerde symptomen heeft op een eHF. Dit laatste komt weinig voor. ‘We zien wereldwijd echter, dat best vaak sprake is van achterblijvende groei bij koemelkallergie en allergieën in het algemeen. Dat blijkt ook uit recent onderzoek in Amsterdam1; daarin hebben we aangetoond dat kinderen met koemelkallergie twee keer zo vaak kleiner en lichter zijn dan gemiddeld. Als je achterblijvende groei ziet, kun je als proef overgaan op een aminozuurvoeding, in de hoop dat inhaalgroei optreedt. Als op den duur inhaalgroei niet optreedt, kun je terug naar eHF.’ Vervolg pagina 9 10 Alternatieven Hoe zit het met alternatieven voor koemelk? Zoals sojadrink, geiten- en schapenmelk? Daarover is de richtlijn duidelijk zegt Vlieg– Boerstra : ‘Geiten- en schapenmelk, eigenlijk alle melk van zoogdieren, worden afgeraden vanwege de kans op kruisreacties. Ook zuigelingenvoeding op basis van geitenmelk is dus niet geschikt bij IgE-gemedieerde koemelkallergie. Producten op basis van soja kunnen wel gebruikt worden, want dat geeft geen kruisreactie met koemelk. Nu hebben we in Nederland geen zuigelingenvoeding op sojabasis, maar vanaf de leeftijd van 6 maanden zou aanvullend sojayoghurt passen.’ Geen melkladder ‘Als je het hebt over IgE-gemedieerde koemelkallergie, heb je het over atopische kinderen met een verhoogd risico op het ontwikkelen van andere voedselallergieën’, vertelt Vlieg–Boerstra. ‘Dus tijdig – bij 4 tot 6 maanden - pinda en ei introduceren is het advies. Bij kinderen met een IgE-gemedieerde koemelkallergie moet de melkladder overigens niet worden ingezet omdat het risico op heftige reacties te groot is. De melkladder is echt een tool voor milde niet-IgE-gemedieerde koemelkallergie.’ Bijvoeding van goede kwaliteit Het staat niet in de richtlijn, maar Vlieg–Boerstra benadrukt dat het van wezenlijk belang is aandacht te geven aan de kwaliteit van de bijvoeding. Dat is kiezen voor pure, zo mogelijk biologische voedingsmiddelen en zo min mogelijk ultra-bewerkte voedingsmiddelen. ‘Dit is goed voor het microbioom, tolerantieontwikkeling in het maag-darmkanaal en de immunologische ontwikkeling. Ik denk dat goede voeding als basis een onderschatte waarde heeft. Zorg bijvoorbeeld voor een koudgeperste olijf- of koolzaadolie, rijstemeel in plaats van rijstebloem en bied voeding ook op de juiste manier aan. Denk bijvoorbeeld aan een gecombineerde aanpak van eten met een lepeltje en ook stukjes zelf laten eten. Daarnaast is het belangrijk dat ouders hun kind goed “lezen”, dus uitgaan van “Responsive feeding”. Zit het vol, vindt het het eten lekker, is het toe aan grovere stukjes? Zo ontwikkelt een kind in het eerste levensjaar een gevarieerd menu en krijgt het een gezonde relatie met eten. Want eten is leuk!’ • IgE versus niet-IgE IgE-gemedieerde koemelkallergie • altijd sprake van IgE-antistoffen in het bloed of een positieve huidtest • klassieke herkenbare reacties als urticaria, zwellingen, loopneus, rode ogen, braken, diarree op en soms met benauwdheid of wegraking. Bij ernstige klachten is er kans op anafylaxie • klachten binnen 1 tot 2 uur na inname van koemelk, bij iedere inname Niet-IgE-gemedieerde koemelkallergie • klachten houden verband met maag-darmkanaal: spugen, reflux, buikkrampen, diarree, soms met bloed • soms roodheid of toename van eczeem • klachten meestal tot 4 uur na de inname, maar kan zelfs tot 48 uur na inname • FPIES (Food Protein Induced Enterocolitis syndroom) is de ernstige vorm. Dit kan gepaard gaan met heftig braken, ernstige diarree, slap en bleek worden. FPIES wordt niet behandeld in de 1e lijn maar in de 2e en 3e lijn. Literatuur: 1. Pediatr Allergy Immunol. 2025 Dec 26;36(12):e70262

Column ‘Voor ouders gaat het starten met medische voeding voor hun kind vaak gepaard met veel emoties, en voor de kinderen zelf is het ook niet altijd makkelijk te accepteren of vol te houden. Daarom zetten we ons binnen de User Experience (UX) afdeling in voor het ontwikkelen van de best mogelijke productervaring voor deze families. We streven ernaar om hen nutritionele supplementen aan te bieden die kinderen het lekkerst vinden. zijn op gehydrolyseerde eiwitten of losse aminozuren om allergische reacties te voorkomen. Deze ingrediënten hebben van nature een bittere smaak, wat de acceptatie door baby’s kan bemoeilijken vanwege hun aangeboren voorkeur voor zoete smaken en afkeer voor bittere smaken. Het traject naar een koemelkallergiediagnose is vaak een lang en (emotioneel) uitputtend proces voor ouders. Ze zien dat hun baby zich wekenlang niet fijn voelt, zonder meteen te weten wat de oorzaak is. Wanneer de diagnose uiteindelijk komt en er een hypoallergene voeding wordt voorgeschreven die zou moeten helpen, kan het enorm stressvol zijn als het kind deze weigert vanwege de bittere smaak. Nutrilon Pepti Syneo is daarom een prachtig voorbeeld waarbij voedingswetenschap, sensorisch onderzoek en ervaringen van ouders samenkomen. Dankzij het gebruik van wei-eiwit en lactose heeft dit product een veel mildere, minder bittere smaak die aangenamer is dan andere soortgelijke voedingen.1,2 Ook NutriniDrink Compact Multi Fibre is een innovatie die is ontstaan vanuit feedback van families en zorgprofessionals, waarbij we hoorden dat het soms lastig is voor kinderen Uiteraard moet een product in de eerste plaats veilig en nutritioneel geschikt zijn. Echter valt of staat het succes van medische voeding uiteindelijk bij de acceptatie van het kind. Wanneer een kind de voeding makkelijk accepteert, en deze zelfs lekker vindt, gaan de therapietrouw en gezondheidseffecten van de behandeling omhoog. We kijken daarom niet alleen naar wat er ín onze medische voeding zit, maar ook naar hóe deze ruikt, smaakt en gebruikt wordt. Dit doen we in samenwerking met de gezinnen en zorgprofessionals, omdat zij deze producten dagelijks gebruiken. We kijken ook naar de dagelijkse routines van de gezinnen, hoe medische voeding hierbinnen past en tegen wat voor zaken zij dagelijks aanlopen. Veel ouders moeten medische voeding bijvoorbeeld combineren met andere zorgtaken en medische handelingen. Die context is ook van invloed op hoe makkelijk of moeilijk medische voeding in het dagelijks leven te integreren is. In de praktijk is het ontwikkelen van medische voeding behoorlijk complex. De wettelijke en nutritionele eisen brengen allerlei sensorische en technologische uitdagingen met zich mee. Een voorbeeld hiervan is hypoallergene zuigelingenvoeding, die gebaseerd moet Marleen Kleijn Teamleader User Experience Danone Column: Luisteren naar patiënten en gezinnen om het flesje drinkvoeding volledig op te drinken. We hebben vervolgens een succesvolle manier gevonden om dezelfde hoeveelheid voedingsstoffen in een kleiner volume te ontwikkelen. Bij medische voeding is een positieve productervaring dus cruciaal voor het succes van de nutritionele behandeling. Daarom begint innovatie voor ons bij het centraal stellen en begrijpen van patiënten en gezinnen, en werken wij voortdurend aan het verbeteren van producten om hen te ondersteunen.’ • Marleen Kleijn Nutrilon Pepti Syneo is een voeding voor medisch gebruik. Dieetvoeding bij koemelkallergie. Uitsluitend te gebruiken onder medisch toezicht, na alle voedingsopties te hebben overwogen, met inbegrip van borstvoeding. NutriniDrink is een voeding voor medisch gebruik. Dieetvoeding bij ziektegerelateerde ondervoeding en/ of groeiachterstand voor kinderen vanaf 1 jaar. Uitsluitend te gebruiken onder medisch toezicht. Literatuur: 1. Maslin K, et al. Pediatr Allergy Immunol. 2018; 29(8): 857–62. 2. Onafhankelijke consumentenstudies met 707 ouders, waarin Pepti producten zijn vergeleken met de belangrijkste andere merken hypoallergene zuigelingenvoeding op basis van gehydrolyseerde eiwitten (Engeland, Frankrijk, Spanje, de VS, Mexico en Brazilië, 2020–2025).

Als een kind aangewezen is op medische voeding, dan is het belangrijk dat deze voeding in alle voedingsstoffen kan voorzien die een kind nodig heeft om te groeien. Maar de voeding moet ook verdragen worden, praktisch bruikbaar zijn, lang houdbaar zijn, én voldoen aan uitgebreide regelgeving. Rudolf Bakker en Akke Botma vertellen wat er bij de ontwikkeling van medische voeding komt kijken. Interview De puzzel achter sondevoeding voor kinderen 12

‘Het ontwikkelen van medische kindervoeding is eigenlijk een grote puzzel’, begint Rudolf Bakker het gesprek. Bakker is product design en development manager medische kindervoeding en al 21 jaar betrokken bij de productontwikkeling van sondevoedingen. ‘We hebben te maken met voedingskundige eisen, regelgeving, technologische beperkingen en natuurlijk met wat in de praktijk werkt voor kinderen en zorgverleners.’ Voedingsbehoefte van het kind De ontwikkeling van een sondevoeding start bij de voedingsbehoefte van het kind. Maar kinderen die afhankelijk zijn van medische voeding vormen geen homogene groep, vertelt clinical nutritional scientist Akke Botma. ‘Niet alleen leeftijd en gewicht bepalen de behoefte aan voedingsstoffen, je hebt ook te maken met veel verschillende ziektebeelden. Er zijn bijvoorbeeld kinderen met cerebrale parese, kinderen die bedlegerig zijn, kinderen met kanker, maar ook patiënten met een darmziekte of brandwonden. Zij hebben allemaal andere energie- en eiwitbehoeftes. Bij veel van deze patiënten is er kans op groeiachterstand als de voeding niet voldoet in die behoeftes. De eiwitbehoefte ligt ook vaak hoger dan bij gezonde kinderen. Eiwit is essentieel om groei te ondersteunen en specifiek belangrijk wanneer inhaalgroei nodig is. Daarom is het eiwitgehalte van medische voedingen hoger dan de aanbevelingen voor gezonde kinderen.’ Waarom wei-eiwit zo belangrijk is Niet alleen de hoeveelheid eiwit telt, maar ook het type eiwit. In moderne pediatrische sondevoedingen speelt wei-eiwit een belangrijke rol. Botma: ‘Historisch gezien waren veel medische voedingen vooral gebaseerd op caseïne-eiwit. Maar wei-eiwit wordt makkelijker verteerd.’ Bakker legt uit dat dat verschil vooral in de maag zit. ‘Caseïne klontert in contact met maagzuur. Hierdoor kun je eigenlijk een soort kaasmassa in de maag krijgen. Dat kan de maaglediging vertragen en bij sommige kinderen reflux of braken verergeren. In combinatie met wei-eiwit blijft het daarentegen meer vloeibaar en bereikt de voeding sneller de darm. Daardoor wordt een voeding met een hoger percentage wei-eiwit vaak beter verdragen, vooral als reflux een probleem kan zijn.’ Botma vertelt dat een internationale richtlijn bijvoorbeeld adviseert om het eiwit in medische voedingen voor kinderen met cerebrale parese deels uit wei-eiwit te laten bestaan.1 Op zoek naar balans Het hoge percentage wei-eiwit brengt volgens Bakker wel technologische uitdagingen met zich Rudolf Bakker Sr. Product Design and Development Manager medische kindervoeding, Danone 13 mee. ‘Wei-eiwit is gevoeliger voor verhitting en kan reageren met mineralen zoals calcium. Die combinatie maakt het samenstellen ingewikkeld. Je moet precies de juiste balans vinden tussen eiwitbronnen en mineralen, anders krijg je een instabiel product.’ Het resultaat is een voortdurende afweging tussen nutritionele doelen en technologische haalbaarheid. Bovendien moeten alle waarden van alle voedingsstoffen binnen wettelijke grenzen blijven. De Europese Unie (EU) heeft strikte regels voor de inhoud van voeding die speciaal bestemd is voor mensen met medische behoeften, met specifieke eisen voor macro- en micronutriënten.2 ‘Met de Multi Fibre vezelmix (MF6) bootsen we beter na wat je ook in een normale voeding ziet’ Vezels: meer dan alleen darmwerking Een ander belangrijk onderdeel van moderne sondevoeding is de vezelcomponent. ‘Een deel van onze sondevoedingen voor kinderen bevat tegenwoordig een combinatie van verschillende vezels. We gebruiken een mix van zes verschillende vezelsoorten’, vertelt Botma, ‘Daarmee bootsen we beter na wat je ook in een normale voeding ziet, waar vezels uit verschillende bronnen komen en deels oplosbaar en deels onoplosbaar zijn.3 Die combinatie heeft meerdere voordelen. Ze blijken obstipatie en diarree te verminderen Akke Botma Sr. Clinical Nutrional Scientist, medische kindervoeding vanaf 1 jaar, Danone

en er zijn minder laxeermiddelen nodig.4,5,6 Ook ondersteunt een deel van de vezels een gezond darmmicrobioom.7 Toch zijn vezels volgens Botma niet voor alle patiënten geschikt. ‘Kinderen met bepaalde darmproblemen of in acute ziektefasen kunnen tijdelijk een vezelvrije voeding nodig hebben. Daarom hebben we ook sondevoedingen zonder vezels.’ Osmolariteit en viscositeit Naast voedingswaarde spelen producteigenschappen een grote rol. Twee daarvan zijn osmolariteit en viscositeit. ‘De osmolariteit is een maat voor de concentratie van osmotisch actieve stoffen in een oplossing. Die wil je bij sondevoeding zo laag mogelijk houden,’ legt Bakker uit. ‘Als die te hoog is, kan dat de tolerantie verminderen. Stoffen die goed oplossen - zoals suikers en zouten - verhogen de osmolariteit. Daarom worden in sondevoeding vaak weinig of geen toegevoegde suikers gebruikt.’ Voor drinkvoeding ligt dat anders: daar kan een beetje suiker helpen om de smaak acceptabel te maken. Viscositeit is een tweede factor. Dat is een maat voor dikte van een vloeistof. De voeding moet vloeibaar genoeg zijn om door een sonde te stromen, maar tegelijkertijd voldoende voedingsstoffen bevatten. ‘Hoe meer eiwit en vezels je toevoegt, hoe dikker het product kan worden’, zegt Bakker. ‘Dat kan gevolgen hebben voor de diameter van de sonde die nodig is.’ Wanneer de voeding “vol” raakt Een bijzondere uitdaging ontstaat volgens Bakker bij energierijke voedingen. Sommige producten bevatten bijvoorbeeld 1,5 kcal per milliliter. Maar er is een grens aan hoeveel voedingsstoffen in een vloeibare voeding passen. ‘Op een gegeven moment raakt het product gewoon vol,’ legt Bakker uit. ‘Nog meer voedingsstoffen erin stoppen kan theoretisch wel, maar leidt al snel tot een te dikke structuur of tot een onevenwichtige samenstelling.’ Van rekenmodel naar praktijk Voordat een product daadwerkelijk wordt geproduceerd, doorloopt het verschillende ontwikkelingsfasen. Eerst worden de voedingswaarden berekend met gespecialiseerde software, waarin elke grondstof inclusief de precieze samenstelling is opgenomen. Daarna volgen laboratoriumtests. Ingrediënten worden gemengd, verhit en geanalyseerd om te zien hoe ze reageren. ‘Soms lijkt een samenstelling op papier perfect’, aldus Bakker. ‘Maar zodra je het verhit voor sterilisatie, verandert alles en moet je opnieuw beginnen.’ Ook stabiliteitstesten, opschalingsproeven en klinische studies maken deel uit van het proces. Daardoor is de ontwikkeling van een nieuwe kindersondevoeding al met al een langdurig proces. Meer dan alleen voedingswaarde Naast wetenschap en technologie spelen ook praktische en psychosociale factoren mee. Ouders van kinderen die langdurig sondevoeding krijgen, hechten bijvoorbeeld steeds meer waarde aan herkenbare ingrediënten zoals groente en fruit. ‘Voor sommige gezinnen helpt het als de voeding dichter bij “normaal eten” staat’, zegt Botma. ‘Dat geeft een gevoel van natuurlijkheid. We hebben bijvoorbeeld een drinkvoeding, waarin gebruik is gemaakt van groenten en fruit, die ook als bolussondevoeding gegeven kan worden.’ Uiteindelijke doel Uiteindelijk is volgens Botma het doel, naast een volledige voeding die alle benodigde nutriënten levert, dat het kind de voeding goed verdraagt en ook binnenkrijgt. ‘Pas dan ondersteunen we daadwerkelijk de gezondheid.’ Bakker besluit: ‘Je kunt een product maken dat nutritioneel perfect is. Maar als het niet wordt gebruikt of niet goed wordt verdragen, help je het kind nog steeds niet. Daarom moeten al die puzzelstukjes uiteindelijk samenkomen.’ • Vervolg pagina 13 14 Nutricia Sondevoeding voor kinderen > 1 jaar Nutrini met of zonder Multi Fibre (MF6) vezelmix Voor kinderen > 1 jaar of 8-20 kg een wei-caseïne eiwit verhouding van 60/40* • Nutrini Low Energy Multi Fibre met 0,76 kcal/ml en 11 En% eiwit • Nutrini (Multi Fibre) met 1 kcal/ml en 11 (Nutrini) of 10 (Multi Fibre) En% eiwit • Nutrini Energy (Multi Fibre) met 1,5 kcal/ml en 11 En% eiwit • NutriniDrink +Mix Multi Fibre Mango met appel en wortel 1,5 kcal/ml, geschikt om als sondevoeding te geven Voor kinderen > 1 jaar met malabsorptie en/of maagdarmklachten • Nutrini Peptisorb met 1 kcal/ml en 11 En% eiwit • Nutrini Peptisorb Energy met 1,5 kcal/ml en 11 En% eiwit NutriniMax met of zonder Multi Fibre (MF6) vezelmix Voor kinderen > 7 jaar of 21-45 kg een wei-caseïne eiwit verhouding van 60/40* • NutriniMax (Multi Fibre) met 1 kcal/ml en 13 En% eiwit • NutriniMax Energy (Multi Fibre) met 1,5 kcal/ml en 13 En% eiwit Nutrini en NutriniMax zijn voedingen voor medisch gebruik. Dieetvoeding bij ziektegerelateerde ondervoeding en groeiachterstand. Uitsluitend te gebruiken onder medisch toezicht * M.u.v. energieverrijkte varianten, daarin is de weicaseïne verhouding 40:60 Literatuur: 1. Romano C, et al. European Society for Paediatric Gastroenterology, Hepatology and Nutrition Guidelines for the Evaluation and Treatment of Gastrointestinal and Nutritional Complications in Children With Neurological Impairment. JPGN 2017; 65: 242-264. 2. EFSA NDA Panel Scientific and technical guidance on foods for special medical purposes in the context of Article 3 of Regulation (EU) No 609/2013. 2. EFSA NDA Panel Scientific and technical guidance on foods for special medical purposes in the context of Article 3 of Regulation (EU) No 609/2013. EFSA Journal 2015;13(11):4300. 3. Importance of fibres and Multi Fibre in enteral nutrition; clinical evidence Overview Nutricia Advanced Medical Nutrition, 2007. 4. Trier E, et al. Effects of a multifibre supplemented paediatric enteral feed on gastro intestinal function. JPGN 1999;28(5):595. 5. Grogan J, et al. Gastro intestinal effects of two fibre enriched paediatric enteral tube feeds. Journal of Human Nutrition and Dietetics 2006;19:6. 6. Hofman Z, et al. Tolerance and efficacy of a multi-fibre enriched tubefeed in paediatric burn patients. Abstract presented at 23rd ESPEN, Clin Nutr 2001;20(Suppl 3);63-64. 7. Guimber D, et al. Effect of multifibre mixture with prebiotic components on bifidobacteria and stool pH in tube-fed children. Br J Nutr. 2010;104:1514–22

Symposiumverslag ‘Als jongeren op zoek gaan naar informatie over voeding, gebruiken ze een mix van online en offline bronnen.’ Dat vertelde dr. Annemarie van Bellegem, kinderarts in Amsterdam UMC tijdens het symposium “Voeding voor (zieke) kinderen; grote stappen in kleine hapjes”. identiteit en horen ze er graag bij. En virtueel “bewijs” als voor en na foto’s kan overtuigend overkomen maar ook misleidend zijn.’ Open het gesprek aangaan Volgens Van Bellegem is het belangrijk het gesprek met jongeren aan te gaan en samen met ze te kijken zonder je oordeel klaar te hebben en door voorzichtig te sturen. Een goede relatie met de jongere staat voorop. ‘Vraag bijvoorbeeld open “Waar check jij dit soort dingen?” en normaliseer daarna. Zeg bijvoorbeeld dat online veel maar gedeeltelijk waar is en dat je samen met de jongere wilt factchecken door te zeggen dat je samen het bewijs wilt toetsen.’ Tot slot tipt Van Bellegem de website isdatechtzo.nl waar te zien is hoe nepnieuws werkt en waar op te letten. • Volgens Van Bellegem valt een keur aan bronnen onder wat er geraadpleegd wordt: sociale media, influencers, chatbots, leeftijdsgenoten, familie, school en ook officiële bronnen zoals een kinderarts, diëtist en het Voedingscentrum. Opvallend hierbij is volgens haar dat jongeren officiële informatie als betrouwbaar zien, maar niet “handig” in het moment. Zo is ChatGPT wel altijd beschikbaar en een arts niet. ‘ChatGPT wordt vaak ingezet om informatie te verzamelen en bezoek aan een professional voor te bereiden, een arts wordt bezocht voor behandeling. Nog een reden dat professionals pas later benaderd worden is dat jongeren schaamte en de duur tot er een afspraak is als drempels ervaren.’ Snel en snackable Van Bellegem is gespecialiseerd in eetstoornisproblematiek en merkt dat het risico op een eetstoornis toeneemt bij online content die controle of slankheid verheerlijkt: ‘Socials zijn snel en snackable en er zit een bepaald algoritme achter. Een gelijksoortige boodschap wordt herhaald waardoor je als gebruiker bijvoorbeeld in een bubble met “thin-fitspiration” kunt belanden. Daarnaast zijn jongeren vaak onzeker over hun 15 Tegenwicht voor social media en influencers

Voor extreem prematuren is een goede basis voor een gezonde leefstijl extra belangrijk. ‘Onder andere vanwege de grotere kans op cardiometabole aandoeningen en voedingsproblemen op de lange termijn bij deze groep’, vertelt arts-onderzoeker Nina Frerichs. In de Generation P studie keek Frerichs hoe het met leefstijl en eetgedrag staat op de gecorrigeerde leeftijd van 2 jaar. De Generation P study loopt sinds 2014. Al vanaf de start wordt het microbioom van extreem prematuren bekeken en gerelateerd aan de gezondheid in de eerste levensmaanden. Frerichs: ‘We weten dat het microbioom invloed heeft op de ontwikkeling van het immuunsysteem en metabole systemen. Voor de gezondheid láter is bekend dat een gezond microbioom bij à terme geboren kinderen in de eerste levensjaren belangrijk is. Binnen ons subonderzoek, dat in 2021 is gestart, onderzoeken we of dat ook voor extreem prematuren geldt. We hebben de kinderen van de Generation P studie hiervoor langer gevolgd. In Nederland hebben we het over extreem prematuren als kinderen bij 24-28 weken zwangerschapsduur geboren worden. Tijdens de follow-up bij 2 en 5,5 jaar gecorrigeerde leeftijd kijken we naar het microbioom én naar de gezondheid op dat moment.’ Verschillende gegevens Frerichs vertelt dat bij deze follow-ups verschillende gegevens verzameld worden uit het dossier, zoals gebruikte medicatie, ontstane aandoeningen en consulten bij andere zorgverleners. Daarnaast leveren ouders een ontlastingssample in van hun kind en ze vullen Leefstijl en eetgedrag van extreem prematuren PhD Nina Frerichs Amsterdam UMC, afdeling kinder-maag-darm-leverziekten Onderzoek

de FLY-Kids vragenlijst in (zie kader). ‘In 2021 zijn de eerste kinderen geboren die deelnemen aan deze studie. De follow-up op 2-jarige leeftijd was in 2023, we hebben momenteel gegevens van 200 kinderen. Eind van dit jaar worden de eerste kinderen 5,5 jaar, dan verzamelen we weer gegevens.’ De studie loopt dus nog, maar Frerichs kan de eerst resultaten al wel delen. Gelijkwaardige leefstijl ‘We hebben eerst gekeken hoe de leefstijl van extreem prematuren zich verhoudt tot de leefstijl van de referentiepopulatie van de FLY-Kids’, vertelt Frerichs. ‘We zagen tot onze verrassing dat de leefstijl van prematuren gelijkwaardig is aan de leefstijl van de referentiepopulatie. We verwachtten dat extreem prematuren minder zouden bewegen of dat ze moeizamer zouden eten en daardoor minder groenten en fruit binnen zouden krijgen dan de referentiegroep, maar dat bleek niet het geval. Wel slapen ze net wat langer; misschien is dat een compensatiemechanisme voor de moeizame start die ze gehad hebben.’ Frerichs vindt het positief dat extreem prematuren vergelijkbare levens hebben als à terme geboren kinderen, maar maakt wel de kanttekening dat de leefstijl van tweejarigen niet echt overeenkomt met de richtlijnen, of ze nu wel of niet te vroeg geboren zijn. Juist bij extreem prematuren vindt ze een gezonde leefstijl extra belangrijk. ‘We weten dat prematuren meer kans hebben op cardiometabole aandoeningen. Daardoor is het zeker bij deze groep erg belangrijk om een goede basis voor een gezonde leefstijl te leggen en deze zo goed mogelijk te behouden.’ Voedingsproblemen Frerichs keek niet alleen naar leefstijl: ‘Binnen Generation P keken we ook naar voedingsproblemen bij deze kinderen, omdat we uit de literatuur weten dat extreem premature kinderen een verhoogd risico hebben op voedingsproblemen. Bij die hele kleintjes is zuigen en slikken nog niet goed ontwikkeld in de eerste maand. Ze krijgen allemaal sondevoeding. Daarnaast krijgen ze veel negatieve prikkels in het hele mondgebied. Ze kunnen bijvoorbeeld beademd worden en verpleegkundigen kunnen de mond uitzuigen of schoonmaken. Die negatieve ervaringen kunnen resulteren in kokhalzen, weigeren van voeding of dat de zuig- en slikreflex moeizamer op gang komt.’ Met de Montreal Children’s Hospital Feeding Scale, die in het Nederlands vertaald is naar de Screeningslijst Eetgedrag Peuters, is dit in kaart gebracht. ‘De lijst bestaat uit 14 vragen waarbij bijvoorbeeld gevraagd wordt hoe lang een kind over een maaltijd doet, of het veel kokhalst en of een kind veel of weinig honger heeft. De 2-jarige extreem premature kinderen zijn na deze vragenlijst onderverdeeld in een groep zonder en een groep mét voedingsproblemen.’ Frerichs zag dat op gecorrigeerde leeftijd van 2 jaar 20 procent van de extreem prematuur geboren kinderen voedingsproblemen had. De kinderen mét voedingsproblemen hadden bij opname onder andere een lager geboortegewicht voor de leeftijd, waren ouder bij ontslag en kregen vaker antibiotica. Na ontslag zochten deze ouders vaker hulp voor de introductie van vaste voeding en kregen ze vaker extra logopedische hulp en dieetbegeleiding. Op de gecorrigeerde leeftijd van 2 jaar kreeg 21 procent van hen nog sondevoeding. Tijdig signaleren Premature kinderen zijn doorgaans klein en licht voor hun leeftijd. Daarbij is er een verschil zichtbaar tussen kinderen mét en zonder voedingsproblemen: ‘Het groeitraject is hetzelfde, dus de lijnen lopen gelijkwaardig aan elkaar, maar kinderen mét voedingsproblemen zitten wat betreft lengte en gewicht altijd ongeveer 1 SD onder de kinderen zonder voedingsproblemen. Groei is natuurlijk ontzettend belangrijk voor alle kinderen, maar specifiek bij deze kinderen die heel erg kwetsbaar zijn. Daarom wordt altijd goed gekeken of de groei niet afbuigt en of het kind de eigen lijn volgt. We zijn ook bang voor extreme inhaalgroei, omdat dat eerder is geassocieerd met bijvoorbeeld obesitas op latere leeftijd. Extreem prematuren hebben al een hoger risico op aandoeningen als hart- en vaatziekten en diabetes type 2. Zelfs als de leefstijl vergelijkbaar is met die van de referentiepopulatie, is juist bij extreem prematuren veel winst voor de gezondheid te behalen. Wanneer voedingsproblemen ontstaan, zoals minder groenten en fruit eten, of groeiachterstand, is het belangrijk dat tijdig te signaleren en in te grijpen, door er een team op te zetten of extra begeleiding te bieden. Zo kunnen de voedingsproblemen vroegtijdig worden aangepakt en de kinderen een gezonde basis voor later ontwikkelen.’ • 17 ‘Het is bij deze kinderen extra belangrijk om een goede basis voor een gezonde leefstijl te leggen’ FLY-Kids FLY-Kids is ontwikkeld om snel de leefstijl van een kind in kaart te brengen. De 10 vragen van FLYKids gaan over voeding en andere leefstijlgewoonten als beweging, schermtijd en slaap. De vragen over voeding zijn onderverdeeld in 3 onderdelen: gezonde voeding (groente en fruit), ongezonde voeding (suikerhoudende dranken en snacks) en eetgewoonten (gebruik van maaltijden aan tafel en eten als troost of beloning). Ook wordt ouders gevraagd hoe tevreden ze zijn over de leefstijl van hun kind.

Wat adviseer je ouders met een kind met reflux? Afwachten, voeding indikken, hypoallergene voeding of medicatie? De nieuwe Reflux Keuzetool helpt jou als zorgprofessional. Ook voor ouders is er een variant, zodat zij zich goed kunnen voorbereiden op een gesprek hierover. De Reflux Keuzetool helpt jou als zorgprofessional om een gestructureerd gesprek te voeren met ouders over reflux bij kinderen en hen te begeleiden naar de juiste behandelopties. De inhoud is gebaseerd op de NVKrichtlijn Gastro-oesofageale reflux(ziekte) bij kinderen van 0-18 jaar. De Reflux Keuzetool voor ouders helpt om • beter te begrijpen wat reflux is • te weten wanneer het een probleem is • inzicht te krijgen in mogelijke behandelingen • goed voorbereid het gesprek aan te gaan Aan het einde van de tool hebben ouders een overzicht van wat voor hen belangrijk is, zodat ze samen met jou een passende keuze kunnen maken. Deze keuzetool is ontwikkeld in samenwerking met Dr. M. Tabbers (kinderarts maag-darm-leverziekten Amsterdam UMC) en Anna de Geus (PhD Student kindermaag-darm-leverziekten Amsterdam UMC). • Nieuws Voor ouders die onzeker zijn over de consistentie of kleur van de ontlasting van hun kindje is er de handige Poeptracker. De Poeptracker is er in 2 versies: een digitale versie waarin ouders de dikte en kleur van de ontlasting selecteren die het meest overeenkomt met de ontlasting van dat moment. Daarnaast is er is een AI-slimme versie. Met de slimme poeptracker kunnen ouders aan de hand van een foto de ontlasting van hun kindje vastleggen en analyseren. Hiervoor loggen ouders op de website in met hun Nutriciaaccount. De slimme AI poeptracker analyseert en geeft bijvoorbeeld aan wanneer er geen reden is tot zorg. Foto’s kunnen (uiteraard beschermd) bewaard worden zodat zichtbaar is hoe het ontlastingspatroon in de loop van de tijd verandert. Wijs ouders gerust op deze handige tool. Of bekijk opgeslagen foto’s samen met ze als ze vragen of twijfels hebben. • 18 Nieuw: Reflux Keuzetool Handig: Poeptracker Scan de QR-code en bekijk de tool Binnenkort beschikbaar

Handige video koemelkallergie 19 Nieuws 2 oktober 2026 5e landelijke symposium D.E.-A.A.P. Burgers’ Zoo in Arnhem Doelgroep: Kinderartsen, arts-assistenten kindergeneeskunde, verpleegkundig specialisten, physician assistants en diëtisten Programma en aanmelden via nutricia.nl/academy 8 en 9 oktober 2026 Duin & Kruidberg Voedingsdagen Landgoed Duin & Kruidberg te Santpoort Noord Doelgroep: Kinderartsen, arts-assistenten kindergeneeskunde Save the date en voorinschrijven via nutricia.nl/academy 11-13 november 2026 Congres “Neo aan de Maas” Delta Hotel in Vlaardingen Doelgroep: Kinderarts-neonatologen, kinderartsen met interesse in neonatologie, physician assistants en verpleegkundig specialisten Neonatologie Save the date en voorinschrijven via nutricia.nl/academy 25-27 november 2026 DE Jeugdartsconferentie 2026 Villa Vennendal te Nunspeet Doelgroep: Jeugdartsen Programma en aanmelden binnenkort via nutricia.nl/academy 11 februari 2027 Congres “Voeding voor (zieke) kinderen” Doelgroep: Kinderdiëtisten, kinderartsen, jeugdartsen en studenten Student en Leefstijl Programma en aanmelden binnenkort via nutricia.nl/academy Zie Nutricia.nl/Academy voor verslagen van de eerdere edities en hou de Nutricia Academy in de gaten voor het programma en de mogelijkheid om u in te schrijven. Scholingsaanbod Heeft een kind een koemelkallergie? Attendeer ouders op de nieuwe animatievideo die is ontwikkeld in samenwerking met Drs. Monique Gorissen, vanuit de Nationale Allergie Monitor. De Nationale Allergie Monitor is een stichting, opgericht om volledig onafhankelijk kennis te delen tussen de specialist, industrie en het publiek. De video helpt ouders onder andere het verschil te begrijpen tussen IgE- en niet-IgE-gemedieerde koemelkallergie. Er wordt uitgelegd welke klachten kunnen optreden, hoe deze allergieën meestal verlopen en hoe artsen onderzoeken om welke vorm het gaat. Ook jij kunt deze video straks eenvoudig met ouders delen, vóór of na een afspraak. Zo krijgen ouders extra uitleg en wordt duidelijk waarom kinderen verschillend kunnen reageren op koemelk of waarom behandelingen kunnen verschillen. De medische informatie wordt stap voor stap en in begrijpelijke taal uitgelegd en helpt ouders zich zekerder te voelen. •

Isabelle (nu 7 jaar) begon 2 jaar geleden ineens haar eten te weigeren. Ze bleek coeliakie te hebben, maar de overstap naar een glutenvrij dieet gaf strijd en zorgen. Aanvulling met NutriniDrink poeder en NutriniDrink Smoothie bleek een uitkomst. Moeder Chantal: ‘Ik weet nu zeker dat mijn dochter alle voedingsstoffen binnenkrijgt die ze nodig heeft. Isabelle heeft weer energie.’ Chantal: ‘Isabelle en haar tweelingzus werden na een probleemloze zwangerschap geboren. Na de geboorte bleek dat Isabelle het Syndroom van Down en meerdere lichamelijke problemen heeft, waarvoor ze al jong verschillende operaties moest ondergaan.’ Syndroom van Down en coeliakie ‘Tot haar 5e jaar ging eten prima. Isabelle kreeg bijna 2 jaar borstvoeding en uitbreiden met vaste voeding ging probleemloos. Isabelle at alles op wat haar voorgezet werd. Maar zo’n 2 jaar geleden begon ze eten te weigeren. Kinderen met het Syndroom van Down hebben een verhoogde kans op coeliakie. Isabelle groeide goed, had geen buikpijnklachten, maar was wel futloos. Haar bloedwaarden voor coeliakie bleken torenhoog.’ Weigeren glutenvrije koekjes ‘Er volgde een verwijzing naar een diëtist, maar glutenvrij eten werd een drama. Isabelle zag meteen dat glutenvrij brood en koekjes anders zijn en weigerde ze. Het enige dat ze dronk was een yoghurtdrank. Op advies van de diëtist verrijkten we deze yoghurtdrank met NutriniDrink poeder. Omdat deze medische voeding in poedervorm neutraal van smaak is, konden we het makkelijk mengen en Casus: syndroom van Down en coeliakie • Isabelle en haar tweelingzus zijn geboren na een zwangerschap van 37 weken • Na de geboorte is bij Isabelle het Syndroom van Down gediagnostiseerd • Borstvoeding en uitbreiden met vaste voeding verloopt probleemloos, groei volgens verwachting • Rond haar 5e levensjaar begint Isabelle voedsel te weigeren, uit screening blijkt coeliakie dronk Isabelle het goed. Zo kreeg ze met 2 bekers verrijkte yoghurtdrank voldoende voedingsstoffen en calorieën binnen. Na al die strijd met eten, was dit voor ons een enorme opluchting. Daardoor konden we haar glutenvrije eetpatroon verder uitbreiden.’ Smoothies met yoghurtdrank ‘Na een maand probeerde Isabelle drinkvoeding uit. Gemengd met yoghurtdrank vond ze NutriniDrink Smoothie lekker. Zo’n 3 maanden lang dronk ze dagelijks 2 flesjes gemengde drinkvoeding. Inmiddels drinkt ze NutriniDrink Smoothie alleen nog als ontbijt. Glutenvrij brood weigert Isabelle, maar ze eet wel maiswafels en wat aardappel met kip of vis. Soms weigert ze haar avondeten en geven we drinkvoeding. Groente en fruit eet ze nauwelijks. Daardoor maakte ik me zorgen of Isabelle wel genoeg gezonde voedingsstoffen binnenkrijgt, maar de diëtist en kinderarts geven aan dat de drinkvoeding haar behoefte prima dekt en ze geen tekorten heeft. ‘Het geeft rust dat Isabelle genoeg binnenkrijgt. Eten geeft geen spanningen meer. Ook hebben we ons vrolijke, energieke meisje weer terug. Een jaar geleden speelde ze nauwelijks met haar zussen, nu doet ze vrolijk mee met tikkertje.’ • Situatieschets 20 Casus Beeld ter illustratie NutriniDrink is een voeding voor medisch gebruik. Dieetvoeding bij ziektegerelateerde ondervoeding en/ of groeiachterstand voor kinderen vanaf 1 jaar. Uitsluitend te gebruiken onder medisch toezicht.

RkJQdWJsaXNoZXIy ODY1MjQ=