Diëtist-onderzoeker Berber Vlieg-Boerstra werkte mee aan de totstandkoming van de richtlijn IgEgemedieerde koemelkallergie bij kinderen. Ze vindt die uitsplitsing naar IgE en niet-IgE heel logisch. ‘Voorheen was er geen strak onderscheid tussen IgE- en niet-IgE-gemedieerde koemelkallergie. Maar in de loop der jaren is steeds duidelijker geworden dat het onderscheid tussen de verschillende typen koemelkallergie cruciaal is. IgE-gemedieerde koemelkallergie kan leiden tot anafylaxie en wordt daarom in de tweede en derde lijn behandeld. Behandeling vindt plaats bij de kinderarts(-allergoloog) en deze, of een gespecialiseerd diëtist, schrijft dieetvoeding voor. Milde niet-IgE-gemedieerde koemelkallergie wordt door de huisarts of - bij voorkeur - door de jeugdarts gediagnosticeerd en behandeld.’ ‘Onderscheid tussen de verschillende typen koemelkallergie is cruciaal’ Tijdelijk bijvoeden met flesvoeding op koemelkbasis? De nieuwe richtlijn IgE-gemedieerde koemelkallergie geeft handvatten voor preventie en behandeling. Vlieg–Boerstra: ‘Wat betreft preventie hebben we bijvoorbeeld gekeken naar een antwoord op de vraag “Kan het kwaad om een pasgeboren baby die borstvoeding krijgt, tijdelijk bij te voeden met standaard flesvoeding op koemelkbasis?”. Er is eindeloos discussie over de vraag of hierdoor het risico op koemelkallergie hoger wordt. Na grondig onderzoek denken wij dat we het antwoord daarop nog niet kunnen geven.’ Voor het opstellen van richtlijnen worden systematische reviews gedaan. ‘En dat is heel zorgvuldig gebeurd’, vertelt Vlieg– Boerstra. ‘Methodologen doen dat voor ons. Wij van de werkgroep selecteren hiervoor in tweetallen de studies, methodologen beschrijven de onderzoeken en bekijken ze methodologisch. Dat is hoe het standaard werkt bij opstellen van richtlijnen. Maar bij deze vraag over het risico op koemelkallergie hebben wij zelf alle studies nógmaals bekeken. We hebben alle details nog een keer opgeschreven omdat we zeker wilden zijn niets te missen. Onze conclusie is dat alle studies die zeggen dat tijdelijke blootstelling wel kwaad kan, een enorme bias hebben; zo zijn ze verschillend van opzet, hebben een verschillende duur, de hoeveelheid gegeven voeding is verschillend en/of niet nauwkeurig in kaart gebracht. Dus hebben wij geconcludeerd dat een goede prospectieve gerandomiseerde studie nodig is of ten minste een case-control-studie om het antwoord te kunnen geven.’ Dr. Berber Vlieg-Boerstra Diëtist-onderzoeker, OLVG in Amsterdam, Rijnstate Allergiecentrum in Arnhem en Vlieg diëtisten in o.a. Arnhem 9 Scan de QR-code en bekijk de richtlijn
RkJQdWJsaXNoZXIy ODY1MjQ=