25 jaar samen werken aan talent

19 97 25 jaar samen werken aan talent

25 jaar samen werken aan talent

ROC van Amsterdam- Flevoland 2

Vooraf In de loop van de 25 jaar die zijn verstreken sinds het ROC van Amsterdam en het ROC van Flevoland zijn opgericht is veel ten goede veranderd. Binnen een relatief korte tijd heeft het ROC van Amsterdam- Flevoland zich ontwikkeld tot een stevige en zelfbewuste opleider midden in de maatschappij in een innovatieve regio. In de metropoolregio Amsterdam volgden en volgen vele studenten en leerlingen hun mbo- /vo- opleiding. Hoe geweldig is het om je te realiseren hoeveel leerlingen de afgelopen 25 jaar na het voortgezet onderwijs in het mbo hun opleiding vervolgden. Duizenden koks, patissiers, verpleegkundigen, monteurs, fashion designers, auto-technici, kappers, stewardessen etc. zijn in deze afgelopen 25 jaar bij het ROC van Amsterdam - Flevoland opgeleid en hebben succesvol hun plek in de maatschappij gevonden. Dit alles maakt het ROC van Amsterdam - Flevoland tot de unieke opleider die zij is, waar medewerkers met hun talent en passie het verschil maken in de ontwikkeling van elke student en leerling. Deze passie voor onderwijs is de lijn die we volgen in alles wat wij doen. Het is de rode draad die ons allemaal verbindt, onze gemeenschappelijke factor. Je zal deze rode draad dan ook herkennen in de verhalen die te lezen zijn in dit boek. Niet alle verhalen van het ROC van Amsterdam - Flevoland laten zich in één jubileumboek vangen. Maar de verhalen die in dit boek staan zijn wel stuk voor stuk boeiend om te lezen en zullen weer nieuwe verhalen losmaken. Van studenten, leerlingen, docenten, medewerkers en samenwerkingspartners die zich om elkaar bekommeren, van elkaar leren en daarbij het beste van zichzelf geven. Zo’n boek kan niet dik genoeg zijn. Wij wensen iedereen veel leesplezier. Edo de Jaeger, Gaby Allard en Gerrit Vreugdenhil Raad van Bestuur Juli 2022 3

Toen 25 jaar geleden over het gehele land de roc’s werden opgericht (dus ook de voorlopers van het huidige ROC van Amsterdam - Flevoland) zag het onderwijslandschap er heel anders uit. Onherkenbaar anders zelfs. In en rond Amsterdam stonden 72 losse scholen, verdeeld over honderd merendeels oude gebouwen. Het waren vooral middelbare beroepsopleidingen: technische scholen, administratieve opleidingen, opleidingen gericht op de handel, de zorg, de luchtvaart, de horeca, opleidingen voor kappers, bakkers en pedicures. Bijna elke beroepsgroep had zijn eigen vakopleiding. Soms werkten die scholen samen, meestal niet. Wie anno 2022 een schoolgebouw van het ROC van Amsterdam- Flevoland binnenstapt — of het nu in Almere staat of in Amstelveen, in Amsterdam, Hilversum, Hoofddorp of in Lelystad — betreedt een modern, ruim opgezet gebouw waar een keur aan opleidingen wordt gegeven. Voor zo’n veertigduizend studenten en vijfduizend medewerkers is dit de dagelijkse praktijk. Het lijkt de gewoonste zaak van de wereld. Maar dat is het niet. Inleiding ROC van Amsterdam- Flevoland 4

Daarnaast waren er scholen waar volwassenen certificaten of complete middelbareschooldiploma’s konden behalen, overdag of ‘s avonds. Los daarvan werden in buurthuizen taallessen en inburgeringscursussen gegevens. Er waren ook praktijkgerichte scholen voor leerlingen die zojuist de basisschool hadden verlaten en er waren streekscholen en vormingscentra waar werkende jongeren hun leerplicht vervulden. Al die scholen voeren hun eigen koers. Sommige deden dat met veel enthousiasme en succes; bij andere was het onderwijs versloft, de apparatuur ouderwets. De meeste vakscholen kampten vooral met problemen die ze in hun isolement niet konden oplossen: ze zaten te ruim in hun jas of juist te krap; vaak waren ze duur en inefficiënt. Al die opleidingen gingen op in het Regionaal Opleidingencentrum van Amsterdam. De druk om te fuseren was groot: scholen die niet mee wilden doen zouden de deuren moeten sluiten. En zo werd op 20 februari 1997, net voor de bezemwagen uit, het ROC van Amsterdam opgericht. Schoolbestuurders, schooldirecteuren en docenten die gisteren nog concurrenten van elkaar waren, werden in één klap collega’s. Dit proces van eenwording vroeg in de praktijk natuurlijk veel tijd en liep niet altijd geruisloos. Jarenlang hing boven de ingang van de roc-winkel het bordje ‘Tijdens de verbouwing gaat de verkoop door.’ Want docenten stonden voor een dubbele opgave: bouwen aan een nieuw team in een nieuwe school maar intussen moesten de lessen wel doorgaan. En ze gingen door. Na een roerige start bouwde het ROC van Amsterdam zich gestaag uit; een groeiend aantal jongeren vond de weg naar het mbo. Met het samengaan met het Dudok College (’t Gooi) en later met het ROC van Flevoland (Lelystad, Dronten en Almere) ontstond een brede basis. Hoe zorg je dat zo’n enorm grote school tegelijk bestaat uit herkenbare ‘kleine’ scholen? En hoe ga je om met de steeds dringendere opdracht tot marktwerking? Voor het nog jonge ROC van Amsterdam - Flevoland waren dat centrale vragen in de tweede fase van het bestaan. Vanaf ongeveer 2010 kwam de school in rustiger vaarwater terecht. Nu de basis op orde was, werd de inhoud van het onderwijs leidend. Meer en meer trok het ROC van Amsterdam - Flevoland de banden aan met de gemeenten en vooral met de beroepspraktijk: het bedrijfsleven. Ook de relatie met pers en politiek verbeterde. Werd deze de eerste jaren vaak ingekleurd door negatieve voorvallen, nu brak het besef door dat de huidige studenten straks de ruggengraat van de samenleving zullen vormen. Een stelling die 25 jaar na de oprichting onderstreept wordt. De zorg, de bouw, de logistiek, de veiligheid, de installatietechniek, de IT, het zijn stuk voor stuk sectoren die essentieel zijn voor het functioneren van de samenleving. En bovendien onontbeerlijk voor de transitie naar duurzaamheid. Wanneer je in de achteruitkijk-spiegel die 25 jaar overziet, valt op dat dit groeiproces alle kenmerken van volwassenwording in zich heeft. Een onwennig, aftastend begin wordt gevolgd door een fase met conflicten en lichte overmoed, zoekend naar zelfstandigheid, uitmondend in stabiliteit en trots. Daarnaast valt in diezelfde spiegel op dat het ROC van Amsterdam - Flevoland niet in de luwte groot is geworden. Allerlei politieke krachten en maatschappelijke ontwikkelingen trokken van verschillende kanten aan de school en maakten het opbouwen van die nieuwe school niet altijd even makkelijk. Maar met de inzet van studenten, docenten en andere medewerkers, van directeuren en bestuurders, ieder op zijn of haar eigen positie, is dit roc erin geslaagd zich te ontvouwen als een up-to-date toegeruste school die jong en oud de kans geeft zich te ontwikkelen en zo een maatschappelijk bestaan op te bouwen. Emancipatie van het zuiverste water. Door hier op een professionele, zelfbewuste en open wijze vorm aan te geven draagt het ROC van Amsterdam - Flevoland ook bij aan de emancipatie van het beroepsonderwijs zelf. Want iedereen mag mbo’ers prijzen als de ruggengraat van de samenleving, in de praktijk zien veel ouders hun kinderen het liefst doorstromen naar algemeen vormend onderwijs. Dit boek blikt terug op die 25 jaar met af en toe een inkijkje in een verder verleden. Niet door de klassieke hoogtepunten op een rij te zetten, wel door een boeket te bieden van inkijkjes in allerlei gebeurtenissen die tekenend zijn voor de wording van het ROC van Amsterdam - Flevoland. Het is een boeket met heel verschillende verhalen, over grote zaken en kleine zaken, over hoogtepunten en dieptepunten, over feestjes vieren en tegenslag delen. Maar in alle gevallen zijn het gebeurtenissen waarbij de mensen van het roc centraal staan. Want onderwijs was, is en blijft mensenwerk. 5

Amsterdam Hoofddorp 6 ROC van Amsterdam- Flevoland

Lelystad Dronten Almere 1997 In 1997 werd het onderwijs van het ROC van Amsterdam verzorgd in 92 panden. De lessen van het ROC van Flevoland vonden plaats op 8 locaties. Het Dudok College In Hilversum was voor het betrekken van het nieuwe gebouw (in 1999) aan de Arena gevestigd in tenminste 7 verschillende gebouwen. 7

Opgroeien 1997 – 2003 Opbouwen 2003 – 2007 Inhoud De laatste handtekening 15 Waarom een roc? 20 Over mooie idealen en praktische problemen 25 Pietje Bell van het onderwijsbestel 34 Hoe scheidslijnen vervagen 39 Hoofdpijndossier 43 De entree van Ankie Verlaan 51 Tussen centraal en decentraal 54 Gewoon en geworteld 57 De twee gezichten van educatie 68 Nieuw land, nieuw elan 82 De lange adem van de teams 86 Op zoek naar een eigen gezicht 96 Oude gebouwen en het raadsel van de OKF 102 De roots van Dudok 105 Het College Hotel 110 ‘We voelden ons wel een proefkonijn’ 115 De risicostudent wordt afgeschaft 122 ‘Is dit mbo? Geweldig!’ 125 Hoog bezoek 127 ‘De cirkel die marktgerichtheid in wezen inhoudt’ 132 Klem tussen Kamer, wachtlijst en wethouder 135 8 ROC van Amsterdam- Flevoland

Samen werken 2007 – 2015 Ontwikkelen 2015 – 2022 Meeting Point 146 Een bundeling van krachten 154 Het verdoemde C-woord 159 De nieuwjaarstoespraak van Marcouch 164 ’Die wijk, dat zijn wij’ 169 Achter de glazen wand 180 ‘Als je het uitstraalt krijg je het ook terug’ 190 In de Kromhouthal 200 Het geheim van de docent 206 Studenten delen cijfers uit 211 Werken achter de schermen 220 ‘De stad is ons leslokaal’ 225 Scoren en slagen 234 De wendbare organisatie: onderwijs in een lockdown 240 Student in lock-down: ‘De sfeer is er nu uit’ 245 De herwaardering van het mbo 256 Dankwoord 267 Leden College- en Raad van Bestuur 268 Voorzitters Raad van Toezicht 269 Colofon 272 9

Opgro Fotoboek Wij heten, wij zijn, wij leren, 2002 10 ROC van Amsterdam- Flevoland

oeien FOTO: © REINIER GERRITSEN 11 1997 2003

1999 Eerste managementteam met directeuren units. Van links naar rechts: Gerard Aerts, Theo Aufenacker, Pica van der Wal, Janny de Hoog, Willem Vrijlandt, Geeske Verbree, Han Heijnen, Ingrid Belmer, Ricardo Winter, Ruud van Velthoven, Ankie Verlaan en Henk Geldermans. 1999 Tram met allereerste logo 1997 ROC van Amsterdam van start. Uitnodiging licentie-uitreiking ROC van Amsterdam. 12 Opgroeien Highlights

2003 ‘Mijn school’-affiches met het onderwijsaanbod voor verschillende soorten deelnemers 2002 Links Fotoboek: Wij heten, wij zijn, wij leren Rechts Nieuwe gebouw Dudok College 2000 Eerste steen nieuwbouw ROC van Amsterdam (Fraijlemaborg) FOTO: © REINIER GERRITSEN 13 1997 2003

14 Opgroeien

zien. Samen met het volwassenonderwijs, de streekscholen en de basiseducatie gaan zij het totale regionale aanbod verzorgen. Vraaggericht, gestroomlijnd, op maat, met een eigen budget, vol samenwerking en met frisse moed. Ko Ariëns, de eerste voorzitter van het bestuur van het kakelverse ROC van Amsterdam, hief met de minister het glas maar was er intussen allesbehalve zeker van dat nu de rust zou intreden in het onderwijs. De afgelopen jaren was het Amsterdamse onderwijsveld al flink omgespit door tientallen fusies, leidend tot een veertigtal scholen die nog niet eens toe waren aan hun eerste lustrum. Het proces om vervolgens die veertig scholen samen te voegen tot één had enorm veel tijd en energie gekost. Van harte ging het allemaal niet. Het gevoel overheerste dat het met de hakken over de sloot was gelukt. Ruim drie maanden geleden nog maar, op donderdag 31 oktober 1996 om precies te zijn, had Ariëns nog peentjes gezweet. De volgende dag, 1 november om uiterlijk 9.00 uur, moest de aanvraag voor de licentie De laatste handtekening De Uitlegzaal, zo heette het kraambed van het ROC van Amsterdam, een naam die verwijst naar de titel van het periodiek dat het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen tweewekelijks rondstuurde naar alle scholen in Nederland. De naam verwijst vooral naar een ander tijdperk met andere verhoudingen. Tot de vorming van de roc’s legde de rijksoverheid namelijk aan de scholen uit wat ze mochten en moesten doen, tot in de miniemste details. Daarna kregen de scholen zelf meer zeggenschap over het budget. oor de gelegenheid was de grote vergaderzaal in het departement in Zoetermeer feestelijk aangekleed. Op de tafels stonden schaaltjes met kaaskoekjes tussen flesjes fris. Zojuist had een combo vrolijke muziek gespeeld. Nu was het de beurt aan Jo Ritzen, de minister van Onderwijs. Staande achter een katheder feliciteerde hij de aanwezige schoolbestuurders met de vandaag verkregen licentie om een roc op te richten, een Regionaal Opleidingencentrum. In heel Nederland zouden er 46 komen, meer wilde de minister er niet toestaan. Het was immers de bedoeling het aantal beroepsopleidingen fors te verminderen, daartoe was een regionale bundeling van de bestaande scholen nodig. De meeste regio’s hadden in 1996 al toestemming gekregen. Zo functioneerden de roc’s Dudok College (regio Hilversum) en Flevoland al een vol jaar terwijl het ROC van Amsterdam de geboorteakte nog moest ophalen. Maar op 20 februari 1997 was het dan zover: samen met enkele andere roc’s sloot Amsterdam de rij. Na een optimistische toespraak van minister Ritzen en enkele hoge ambtenaren kon de kurk van de fles. Vanaf nu zou het middelbaar beroepsonderwijs er anders uit gaan 15 1997 2003

tijd op. De losse medezeggenschapsraden staken de koppen bij elkaar, vergaderden eindeloos, zowel onderling als met de schoolbesturen en zowaar: al dit gepraat had resultaat. Nederkoorn en zijn collega’s hadden zich ouderwets hard gemaakt voor de belangen van de medewerkers (inschalingen, wachtgelden, overplaatsingen, werktijden, perspectieven et cetera). Van de twaalf fusievoorwaarden die de medezeggenschapsraad had gesteld waren er uiteindelijk elf ingewilligd. Geen slecht resultaat. Maar nu de ultieme deadline in het zicht kwam, zag Nederkoorn kans ook de laatste voorwaarde binnen te slepen. Waarover het precies ging staat niemand meer helder voor ogen, wel de manier waarop Nederkoorn druk zette op de schoolbestuurders. Op de bewuste laatste donderdag van oktober zou hij ’s middags om 16 uur aanwezig zijn bij de plechtige ondertekening van de licentieaanvraag. Plaats van handeling was de directiekamer van de Elektrotechnische School (ETS) aan de Korte Ouderkerkerdijk. In dit monumentale gebouw hielden de eerste bestuurders van het roc in die tijd kantoor. Jan Fokker, als directeur van de ETS trad hij op het bureau van de minister liggen. Zonder zo’n aanvraag zou onverbiddelijk de financiering stoppen voor de scholen die niet in een roc opgingen. Dat was geen loos dreigement. Ambtenaren en bewindslieden hadden keer op keer bezworen dat er geen toekomst meer was voor de scholen die buiten een roc wilden blijven. Maar de laatste middag voor het indienen van de aanvraag ontbrak één handtekening onder de aanvraag. De scholen hadden allemaal getekend, daar zat het probleem niet. Het was het vakje ‘Medezeggenschapsraad’ dat nog altijd dreigend leeg was. Daar ontbrak de handtekening van Rob Nederkoorn, de voorzitter van de ‘Medezeggenschapsraad van het roc in oprichting’. Toen enkele jaren eerder de eerste contouren van het roc zichtbaar werden, had Nederkoorn geen moment getwijfeld. Als de schoolbesturen zich voorbereiden op een fusie moeten de medezeggenschapsraden dat ook doen, zo besloot hij. Tot dan toe combineerde hij zijn werk voor de medezeggenschapsraad met het geven van Engelse les op de Joke Smitschool voor volwassenonderwijs. Maar intussen slokte het werk voor de medezeggenschapsraad in oprichting voor de nieuwe combinatie al zijn Elektrotechnische School, gebouw waar de laatste handtekening werd gezet 1997 16 Opgroeien

op als gastheer, had speciaal voor deze gelegenheid een fles dure port aangeschaft. Zodra de licentieaanvraag was ingediend zou hij de fles openen; Fokker hield van theater. Maar zover was het nog niet. Terwijl Ariëns nerveus op zijn horloge keek, bleef de stoel van Nederkoorn akelig leeg. Die bevond zich op dat moment 250 kilometer zuidwaarts, op een scholingsbijeenkomst van de medezeggenschapsraad van de Joke Smitschool, diep in Limburg. Omdat hij met zijn tekenbevoegdheid een sleutelpositie had in het fusieproces, had zijn collega Hans Kaspersen hem bezworen voor deze gelegenheid een mobiele telefoon te huren. Nederkoorn had nog even gesputterd, zo’n modern apparaat huren was namelijk begrotelijk en wanneer het snoerloze toestel daadwerkelijk gebruikt werd, zouden de kosten helemaal het budget overschrijden. Maar Kaspersen stond erop en kreeg al snel gelijk. In de heuvels bij Valkenburg ratelde het apparaat namelijk de bewuste ochtend: hij moest onmiddellijk terugkomen want die middag stond de ondertekening van de licentieaanvraag op de agenda. Nederkoorn was echter niet onder de indruk van termen als ‘moeten’ en ‘onmiddellijk’ en maakte rustig het dagprogramma af. Pas rond vier uur ‘s middags stapte hij in zijn auto en koerste richting Amsterdam. Al te veel haast maakte hij niet. Toen hij Utrecht naderde besloot hij een kopje koffie te gaan drinken bij een goede vriendin die daar woonde. Hoe later ik aanschuif in Amsterdam, hoe groter de kans dat ze ‘ja’ zeggen, bedacht hij daarbij. Geen haast. Ariëns was intussen links en rechts aan het rondbellen. Nederkoorn was nu onbereikbaar, zoveel was duidelijk, en ook andere leden van de medezeggenschapsraad wisten niet waar hij precies uithing. Terwijl op de gang de koerier wachtte, sloeg de paniek toe in de vergaderkamer op de Korte Ouderkerkerdijk. Hoe krijgen we die aanvraag op tijd ingevuld en afgeleverd in Den Haag? Het was al donker toen Rob Nederkoorn zich meldde bij Ariëns en collega’s. Met een uitgekookt gezicht heropende hij de onderhandelingen over voorwaarde nummer twaalf. Vijf minuten later stonden alle handtekeningen op hun plaats, kon de koerier vertrekken met een gevulde enveloppe en schonk Jan Fokker de port uit wat leidde tot een verwrongen soort gezelligheid. Terugkijkend heeft Ariëns weinig herinnering aan vrolijkheid: ‘Het was vooral een heksentoer’. Rob Nederkoorn, bij de ondertekening van de eerste managementcontracten (december 1999) Terwijl op de gang de koerier wachtte, sloeg de paniek toe in de directiekamer op de Korte Ouderkerkerdijk 17 1997 2003

Uit het fotoboek ‘Wij heten, wij zijn, wij leren’ van 2002 Opgroeien 18

FOTO: REINIER GERRITSEN 19 1997 2003

chteraf blijken de handtekeningen die Ariëns en Nederkoorn laat op die oktoberavond in 1996 zetten in het markante schoolgebouw aan de Korte Ouderkerkerdijk, vooral een breuk tussen twee periodes te markeren. Een periode van opbouw van een samenhangend geheel aan beroepsopleidingen en aanverwante educatie lag in het verschiet; een lange periode waarin opleidingen en cursussen over tientallen instellingen waren versnipperd werd afgesloten. Beleidsambtenaren, procescoördinatoren en bestuurders waren dagelijks in de weer met de perikelen rond de fusie. Voor hen was het gesneden kost om te praten over ‘samenhang’, ‘aansturing’ en ‘groeidoelstellingen’. Maar de meeste docenten hadden een ander perspectief. Zij richtten hun aandacht op hun werk: elke dag voor de klas staan. Dat gold ook voor Marina Gambirasio, in 1997 een nog jonge en onervaren docent economie aan de Streekschool in de Spuistraat. Zij gaf les aan zeer uiteenlopende groepen leerlingen: werkende jongeren die een of twee dagen per week naar school moesten, volwassen vrouwen die weer de arbeidsmarkt op wilden, mensen die werden omgeschoold, hoogopgeleide vluchtelingen. Ze genoot van haar werk, van de afwisseling en de diversiteit onder haar leerlingen. Vooral de herinnering aan een professor uit Iran die bij haar in de schoolbanken zat, doet haar nog altijd glimlachen. Pas toen ze de Spuistraat moest verlaten, toen lesprogramma’s in elkaar werden geschoven en op haar salarisstrookje de naam van een nieuwe werkgever verscheen, realiseerde zij zich dat ze nu bij het ‘ROC Amsterdam en omstreken’ werkte. Maar ook docenten die de roc-vorming wel op de voet volgden, konden niet weten dat déze fusie een blijvertje zou zijn, een voorlopig eindpunt van tien roerige jaren, van een keten aan tussenfusies, vooral bedoeld om het aantal scholen te verminderen. Want dat er sprake was van wildgroei aan allerlei soorten middelbare beroepsopleidingen, instituten voor basiseducatie en scholen voor onderwijs aan volwassenen, dat stond buiten kijf. Waarom een roc? Waarom moesten er 25 jaar geleden eigenlijk roc’s komen voor alle regio’s? Was er iets mis met de bestaande scholen? Of was politiek Den Haag van mening dat groter automatisch beter was? De eerste vraag — waarom een roc in elke regio? — kan niet kortweg worden beantwoord door te verwijzen naar ‘mis’ of ‘groter’ en ‘beter’. Aan de vorming van roc’s lag een kluwen aan redenen ten grondslag, een mix van financiële motieven (de kosten limiteren), bestuurlijke vernieuwing (meer zeggenschap leggen bij het maatschappelijk middenveld), inhoudelijke overwegingen (flexibiliteit en dynamiek stimuleren in het beroepsonderwijs) en economische motieven (aansluiting zoeken bij regionale arbeidsmarkt). 20 Opgroeien

Amsterdam en directe omgeving telde in 1986 maar liefst 72 verschillende middelbare beroepsopleidingen, scholen voor basiseducatie, voor volwassenen en voor werkende jongeren. De scholen voor beroepsonderwijs draaiden op kosten van het rijk, ze stuurden feitelijk hun rekeningen naar ‘Zoetermeer’, de verblijfplaats van het ministerie van Onderwijs werd destijds gebruikt als roepnaam van de rijksoverheid. Niet alleen de lopende kosten waren voor rekening van het rijk, ook wachtgeldverplichtingen voor personeel dat ontslagen werd bij krimp van een school werden doorgeschoven, net als salarissen van nieuw personeel wanneer er juist moest worden uitgebreid. Pogingen om personeel dat bij de ene school weg moest voorrang te geven bij de andere school die personeel zocht, waren zeldzaam. Waarom zou je ook? Het rijk betaalde toch de rekening? De boekhouders in Zoetermeer werden steeds nerveuzer. Door de rijksoverheid werd dan ook al lange tijd gebroed op een manier om de onstuimige groei van het aantal scholen in te dammen. Waarom was dat aantal zo enorm gegroeid? Dat had alles te maken met de promotie van beroepsopleidingen tot beroepsonderwijs. Doordat in 1968, bij de invoering van de Mammoetwet, de middelbare beroepsopleidingen opgenomen werden in de ‘wet op het voortgezet onderwijs’, werden ze eindelijk erkend als onderwijs. Ze vielen nu onder het ministerie van Onderwijs, en dus werden de ijzeren wetten van de verzuiling toegepast op de technische scholen, de handelsscholen, de opleidingen tot verpleegkundigen et cetera. Net als bij het voortgezet onderwijs en primair onderwijs al sinds 1920 wettelijk geregeld was, kregen christelijke en katholieke stichtingen het recht om op rijkskosten eigen beroepsscholen te stichten. En zo werden overal in het land naast de bestaande gemeentelijke beroepsopleidingen ook extra katholieke en christelijke beroepsopleidingen opgericht. Voor gereformeerd puntlassen, hervormd boekhouden Maar de meeste docenten hadden een ander perspectief, zij richtten hun aandacht op hun werk: elke dag voor de klas staan Minister Jo Ritzen tijdens plenair debat Tweede Kamer FOTO: © HET PAROOL/ANP 21 1997 2003

Dat zij daarbij, vaak ter plekke, ook gebruikmaakten van vakopleidingen (voor bijvoorbeeld fietsenmakers en kleermakers waren opleidingen in werkplaatsen en ateliers) was geen zaak voor de overheid. Voor de groeiende groep kinderen uit de middenklasse werden de Polytechnische school in Delft en in elke gemeente van enige omvang een hbs opgericht. Dat noemde Thorbecke middelbaar onderwijs, gericht op nuttige beroepen in de praktijk: landmeter, ingenieur en boekhouder bijvoorbeeld. De universiteiten en gymnasia stonden hierbuiten, die waren uitsluitend bedoeld voor de elite en konden zich richten op de ontplooiing van het individu. Nuttige beroepen stonden dus tegenover individuele ontplooiing; het ‘materiële leven en de zaak’ moesten niet verward worden met de ‘geest’, zo betoogde Thorbecke en zijn wil was in die tijd wet. Bij de aanbieding van deze wet aan de Kamer schetste hij desalniettemin een mooie toekomst voor het middelbaar onderwijs: ‘Wij gaan een grote en blijvende weldaad aan het land bewijen katholieke wondverpleging als het ware. Vreemd genoeg was tot de invoering van de Mammoetwet het beroepsonderwijs in Nederland grotendeels buiten het ministerie van Onderwijs om geregeld, en daarmee ook buiten de financiële gelijkstelling gebleven. Het waren gemeenten, soms samen met Kamers van Koophandel, die bijvoorbeeld handelsscholen hadden opgericht, bedrijven hadden eigen scholen of financierden samen met gemeenten technische scholen, ziekenhuizen regelden in eigen huis opleidingen voor verpleegkundigen, al dan niet mede betaald door het ministerie van Volksgezondheid. Maar volwaardig onderwijs, nee, zo mocht het niet gezien worden. De oorsprong van de scheiding tussen vakopleidingen aan de ene kant en onderwijs als algemene vorming aan de andere kant, ligt formeel beklonken in de wet op het middelbaar onderwijs die Thorbecke in 1863 aan de Kamer voorlegde. De liberalen hadden onder invloed van de Verlichting besloten dat het middeleeuwse principe van de gilden afgeschaft moest worden. Het werd als ouderwets en te dwingend beoordeeld dat mensen al door hun afkomst in een bepaald gilde werden opgesloten. Dat paste niet bij de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Een vak leren in de praktijk bleef de gewoonte, maar er moest ruimte zijn tot zelf kiezen en tot ontwikkeling. Belangrijk detail: volgens de scheidslijnen van de klassenverdeling beperkte Thorbecke die keuzevrijheid tot de middenklasse en hoger. Arbeiderskinderen gingen na de lagere school gewoon aan de slag in de fabriek, het naaiatelier of de werkplaats, boerenkinderen op het land. Daar veranderde niets aan. Locaties van de voorlopers ROC van Amsterdam (1997) Arbeiderskinderen gingen na de lagere school gewoon aan de slag in de fabriek, het naaiatelier of de werkplaats, boerenkinderen op het land 22 Opgroeien

in 1990 zeven technische scholen op in het Technische College Amsterdam. En daarmee kwam een einde aan soms lange geschiedenissen: de MTS Hendrik de Keyser, gesticht in 1894, werd opgeheven. Hetzelfde gold voor de MTS Gijsbrecht van Aemstel uit 1963, voor de ETS uit 1901, voor het ir. Van der Broekinstituut (middelbaar laboratoriumonderwijs) uit 1967, voor de L- en MTS voor Mode en Kleding, opgericht in 1910 als de Kleermakersvakschool, en de veel jongere Kmbo-scholen Amsterdam en Amstelland en Meerlanden1. Ook voor sectoren als Economie en Dienstverlening, Horeca en Gezondheidszorg kwam er een einde aan al die aparte scholen. Het stof van deze fusiegolf was nog niet neergedwarreld of er kwam een nieuwe missive uit ‘Zoetermeer’: álle mbo-scholen moesten uiterlijk in 1997 fuseren met elkaar, met de streekscholen en met alle instellingen die educatie voor volwassenen gaven. Synchroon aan deze laatste opdracht veranderde de overheid ook de spelregels, de set afspraken op microniveau waarmee tot dan toe de overheid als controleur permanent over de schouders van de schoolbesturen meekeek. Afstand moest er komen tussen het rijk en de schoolbesturen, net zoals er afstand was genomen van woningbouwverenigingen, van uitvoeringsorganisaties rond uitkeringen en zorgverlening. De nieuwe spelregels richten zich op de kaders, het macroniveau waarop de schoolbesturen voortaan zouden worden beoordeeld. Hóé ze dat voor elkaar kregen was voortaan hun eigen zaak; daar zou de overheid zich 1 H et Kmbo, een drempelloze en sterk ingekorte versie van het mbo, was begin jaren tachtig opgericht voor werkzoekende jongeren en daarmee het spiegelbeeld van de streekschool die voor werkende jongeren was. Ging het goed met de economie, dan stroomde de streekschool vol; ging het slecht, dan bloeide het Kmbo juist op. Zij functioneerden dus als communicerende vaten. zen. Wij gaan krachten en instellingen in het leven roepen, die het praktisch voortbrengend vermogen van de kern des volks moeten verhogen.’ Vanaf dit platform ontwikkelden zich, aangespoord door de snelle technische ontwikkelingen rond 1900, steeds meer specifieke beroepsopleidingen, vooral in de sectoren techniek en administratie. Feitelijk allemaal initiatieven van onderop, soms financieel gesteund door het rijk, meestal buiten de onderwijskundige kaders van lager, middelbaar en hoger onderwijs, met vertakkingen als avondonderwijs voor carrièrebouwers en later ook streekscholen voor werkende jongeren en volwassenenonderwijs voor de inhaalslag. Totdat het in de jaren zeventig en tachtig de spuigaten uitliep. Alleen al in Amsterdam 72 scholen: dat moet anders. Het waren niet alleen geldzorgen die Haagse ambtenaren en politici aanspoorden om in te grijpen in de wirwar aan beroepsopleidingen en volwassenonderwijs. Staatssecretaris van onderwijs Jacques Wallage maakte zich eind jaren tachtig ook zorgen over de inhoud van het onderwijs. Die zou te statisch zijn. ‘Door de elkaar in hoog tempo opvolgende technologische vernieuwingen veranderen de beroepsinhouden snel’, schreef hij maart 1990 aan de Tweede Kamer. ‘Dit stelt hoge eisen aan de beroepsopleidingen die daarop moeten inspelen. Vernieuwing van het beroepsonderwijs heeft daarmee een permanent karakter gekregen.’ Vanaf 1986 was onder leiding van zijn voorganger Nel Ginjaar-Maas een fusieplicht opgelegd die achteraf als een voorloper van de roc-vorming kan worden gezien. Per sector moesten de beroepsopleidingen fuseren, dat was de kern van de SVM-maatregel (Sectorvorming en Vernieuwing Middelbaar beroepsonderwijs). De nieuwe scholen moesten minstens 600 leerlingen tellen, anders hadden ze geen bestaansrecht. Maar zoals al gezegd: het ging ook om het geld. Ginjaar-Maas had alvast 150 miljoen gulden als jaarlijkse bezuiniging ingeboekt. In Amsterdam gingen De Tweede Kamer knikte instemmend: zij zouden zich niet langer met de dagelijkse onderwijspraktijk bemoeien 23 1997 2003

niet meer mee bemoeien. Afstand, autonomie, eigen verantwoordelijkheid, lumpsumfinanciering, maatschappelijk middenveld, de beleidsnota’s uit die jaren stonden bol van dergelijke termen. De Tweede Kamer knikte instemmend: zij zouden zich niet langer met de dagelijkse onderwijspraktijk bemoeien, niet langer op de stoel van de docent gaan zitten. Voor de jongste fusieopdracht was sectorale samenwerking niet langer het ordenend principe. Nee, nu werd de regio maatgevend. Lange tijd hadden bonden en onderwijsbestuurders gesoebat over de omvang en grenzen van de regio’s, maar uiteindelijk hakte minister Ritzen op een zaterdagochtend in zijn eigen huiskamer in Delft de knoop door. Op tafel lag de kaart van Nederland en de minister zette verspreid over het land vijftig kloeke stippen. In grote lijnen is zijn plan uitgevoerd. In sommige regio’s slaagden de vertegenwoordigers van het bijzonder onderwijs er in een confessioneel roc op de been te brengen. Zo ook in Amsterdam. Om genoeg massa te verwerven zochten de katholieke en christelijke bestuurders steun bij collega’s in Amersfoort en Utrecht. Zo bouwden ze over de regio’s heen een algemeen christelijk roc, ROC ASA genaamd. Het eerste en enige interregionale regionale centrum ter wereld. Omdat de confessionelen in de Kamer een sterke positie hadden moest PvdA-minister Ritzen wel even de andere kant opkijken. Tot het laatste moment bleef het spannend welke Amsterdamse scholen zouden overstappen naar ROC ASA, maar toen uiteindelijk de rook was opgetrokken bleek de interconfessionele broeder in Amsterdam een beperkte positie in te nemen2. Voor de vele schoolorganisaties vormde de ketting van fusies tussen 1986 en 1997 een enorme belasting. Toen januari 1997 het ROC van Amsterdam formeel van start ging had iedereen de grootste moeite het normale dagelijkse werk op te pakken. Waar liggen de leerlinggegevens? Wie heeft de sleutels? Eva Weber, een van de tijdelijk aangestelde directeuren, probeerde het Algemeen Bestuur gerust te stellen, zo blijkt uit het verslag van de vergadering van 23 januari 1997. ‘Punt 3. Mededelingen. Mevr. Weber meldt dat de salarisbetaling over de maand januari is gelukt.’ 2 I n 2006 zou ROC ASA (Amsterdam, ’t Sticht, Amersfoort) opgaan in Amarantis, een scholenkoepel die in 2012 aan financiële schandalen ten onder ging, waarna drie nieuwe kleine roc’s werden opgericht: MBO Utrecht, MBO Amersfoort en ROC TOP in Amsterdam. Minister Jo Ritzen, rechts achter de PC 24 Opgroeien

elders putten uit het eigen budget. Minister Ritzen had dit principe ook voor alle 46 roc’s tezamen ingesteld. Er was voortaan één budget voor alle roc’s bij elkaar. Kwam een roc in forse financiële problemen dan moesten de collega-roc’s een deel van hun budget inleveren om dat op te lossen. In Den Haag haalden de ambtenaren en politici opgelucht adem: zij waren nu gevrijwaard van overschrijdingen. Bij de roc’s heersten gemengde gevoelens. Optimisme, want ze waren nu baas in eigen huis en als er geld overbleef mocht dat in de eigen kas blijven. En pessimisme, want wie weet wat er allemaal nog voor tegenvallers konden opduiken. Bij Janny de Hoog sloeg het pessimisme al snel door naar paniek: de schrik sloeg haar om het hart toen zij ontdekte dat er een enorm tekort dreigde te ontstaan. Nog voor het ROC van Amsterdam was opgericht dreigden miljoenen guldens aan inkomsten weg te vallen. Wat was hier aan de hand? Eva Weber, Wim Westheider en Janny de Hoog waren door de besturen van de fuserende scholen gevraagd om tijdelijk de directie te vormen van het ROC van Amsterdam in oprichting. Het was de bedoeling dat in 1996 al een definitief College van Bestuur zou worden aangesteld maar dit proces bleek meer tijd te vergen. Het waren alle drie ervaren krachten. Over mooie idealen en praktische problemen estheider en Weber hadden bovendien eerder leidinggegeven aan recent gefuseerde scholen die op hun beurt nu dus in het ROC van Amsterdam opgingen. Weber was directeur geweest van het Randstedelijke Opleidingencentrum, Westheider van het College Beroepsonderwijs Amsterdam en De Hoog van de Joke Smitschool. Gedrieën probeerden zij eind 1996 overzicht te krijgen over de begroting van het ROC van Amsterdam. De geldstromen zouden in 1997 heel anders gaan lopen dan voorheen en het simpelweg optellen van de begrotingen van de samenstellende scholen voldeed niet langer. Bovendien was de lumpsumfinanciering ingevoerd wat als groot voordeel had dat elk roc nu zelf de zeggenschap kreeg over het gehele budget en niet meer voor elke uitgave apart toestemming hoefde te vragen aan Zoetermeer. Nadeel was dat nu het op=op-principe gold. Als een roc voor extra uitgaven kwam te staan moest het die maar 25 1997 2003

Bron van het probleem was een nieuwe regel over de betaling van het onderwijs voor volwassenen, de verzamelterm voor de basiseducatie en het dag- en avondonderwijs voor volwassenen zoals in Amsterdam verzorgd door de Joke Smitschool en op dat moment ook nog door het Amsterdam College. Vroeger ging dat geld naar de scholen die de regio bedienden, vanaf januari 1997 echter ging het geld naar de gemeenten waar de cursisten woonden. Elke gemeente mocht nu bepalen waar haar inwoners naar school gingen. Welnu, bedachten onder andere de gemeenten Zaanstad en Waterland: onze volwassen inwoners gaan voortaan in onze eigen regio naar een school voor volwassenenonderwijs. Het Zaanse Damlandcollege zou de rol van de Amsterdamse scholen moeten overnemen. Maar de leerkrachten overnemen, daar wilden Zaanstad en Waterland zich niet op vastleggen. Eerste locatie centrale dienst (Frederiksplein 1, boven) Nog voor het ROC van Amsterdam was opgericht dreigden miljoenen guldens aan inkomsten weg te vallen 1998 26 Opgroeien

Begin december 1996 maakt De Hoog de tussenbalans op. ‘Het voorlopige resultaat van deze onderhandelingen is rampzalig,’ meldt zij aan het bestuur. Het tekort voor 1997 loopt op naar 2,6 miljoen gulden. Kort daarna, in januari 1997, stuurt Wim Westheider namens de directie een gepeperde brief aan burgemeester en wethouders van Zaanstad en van Waterland. Hij doet zijn beklag over de haakse bocht, voorziet problemen voor leerlingen en biedt vergeefs aan vanuit de Amsterdamse scholen de inwoners van Zaanstad en Waterland te blijven bedienen. De gemeenten boven Het IJ zijn gepikeerd over de pogingen van het Amsterdamse ROC om de volwassen cursisten te behouden en reageren formeel: ‘Wij zien geen juridische noodzaak om met u een overeenkomst te sluiten.’ Het bestuur van het ROC van Amsterdam schakelt nu een advocaat in maar neemt ook contact op met minister Ritzen. Licht dreigend schrijft het bestuur aan de opstandige gemeenten: ‘Wij verzoeken u de tot op heden ongebruikte educatiemiddelen aan ons over te maken. Hoogachtend, bestuur ROC Amsterdam e.o.’ Maar de Janny de Hoog, lid eerste directie ROC van Amsterdam verzamelde gemeenten geven geen krimp: ‘De inhoud van uw brief is voor ons geen aanleiding om onze huidige beleidslijn in dezen te wijzigen.’ Ritzen heeft geen trek in wijzigingen van regels en doet een beroep op de betrokken gemeenten om niet overhaast te handelen. De bemiddelaar die hij stuurt maakt echter weinig indruk. Het ROC van Amsterdam besluit om de rechter in te schakelen en tegelijk ter compensatie een vergoeding te eisen bij het ministerie. Eind 1997 doet ook de rechter een beroep op souplesse bij de weigerachtige gemeenten maar moet tegelijk erkennen dat ze wel in hun recht staan. Het conflict ettert nog jaren door. En niet alleen tot ergernis van het ROC van Amsterdam. Ook mevrouw C. Raat-Koning uit Monnickendam is ontstemd over het geschuif met gelden en het aanwijzen van scholen. Nadat het in het reguliere onderwijs niet was gelukt wilde mevrouw Raats dochter alsnog pogen haar havodiploma te halen. Daarvoor had ze zich aangemeld bij het ROC van Amsterdam met het idee om daar overdag naar school te gaan, dat kon ze goed combineren met haar bezigheden ’s avonds. Maar de Joke Smitschool van het ROC van Amsterdam mag haar niet toelaten en nu moet ze bij gebrek aan dagonderwijs naar de avondschool in Zaandam. De reiskosten en ook de reistijd belopen dan het dubbele van de Amsterdamse variant. Mevrouw Raat ziet er de logica niet van in en schrijft september 1999 een vermanende brief aan haar gemeentebestuur: ‘Het beleid zou er toch op gericht dienen te zijn een en ander te stimuleren en niet om meer praktische problemen op de werpen.’ Mevrouw C. Raat-Koning uit Monnickendam is ontstemd over het geschuif met gelden en het aanwijzen van scholen 27 1997 2003

28

Hans: ‘Ik kwam je een keer op straat tegen. Je was een vrachtwagen met groente en fruit aan het uitladen terwijl ik dacht dat je les had.’ Samir: ‘Was dat niet op een zaterdag? Maar het kan ook best door de week zijn geweest. Ik gaf mezelf veel vrij in die tijd. Om te werken in de groothandel van mijn vader, of om te voetballen. Ik maakte gebruik van de vrijheid die er was. De opleiding was een experiment, dat konden we merken. Maar gaandeweg raakte ik steeds meer geïnteresseerd. In de coachlessen bespraken we artikelen uit de Metro of de Spits, dat vond ik geweldig. En toen we een gerichte keuze voor een richting konden maken ben ik mede dankzij de stage echt gaan leren. Daar voelde ik me als een vis in het water.’ Hans: ‘We waren erg aan het zoeken naar een manier waarop we jullie konden beoordelen. Ik heb hier nog een eerste rapport van jou… wat er in staat blijft verder geheim natuurlijk.’ Samir: ‘Ja, dit kunnen mijn huidige studenten beter niet lezen. Ik moest toen ook een test doen of ik wel geschikt was voor niveau 4. Daar bleek uit dat ik op hbo+ niveau zat. Dat gaf mij een boost en de docenten vertrouwen. De afstand tussen de docenten en mij werd kleiner. Er kwam meer aandacht voor mijn persoonlijke ontwikkeling en dat voelde goed. In de loop van het eerste jaar voelden we ons meer bij de opleiding betrokken omdat jullie eerlijk zeiden dat jullie ook nog niet wisten hoe de beoordeling moest lopen.’ Hans: ‘We waren er wel van overtuigd dat de ontwikkeling van de student veel meer aandacht moest krijgen. En dat de examinering anders moest. Niet meer puur theoretisch, maar met een proeve van bekwaamheid in de praktijk.’ Samir: ‘Dat is nu gelukkig nog steeds zo. Ik heb bij MTSplus geleerd dat onderwijs veel meer is dan zenden en ontvangen. Elkaar als docent en student serieus nemen, dat is essentieel. Mij heeft het ontzettend geholpen om mezelf te ontwikkelen. Toen ik later door mijn oude docenten werd gevraagd om hier les te komen geven voelde dat heel natuurlijk. Het ROC van Amsterdam en MBO College Westpoort is mijn thuis geworden.’ Interview ‘Het roc is mijn thuis geworden’ Hans Kaspersen was docent wiskunde bij de Elektrotechnische School en lid van de Medezeggenschapsraad. Na de roc-vorming werd hij manager bij de werkmaatschappij Techniek. Hij was projectleider van de nieuwe opleiding MTSplus voor het ROC van Amsterdam en vanaf 2006 programmamanager techniek en technologie. Sinds 2018 is hij met pensioen. Samir el Moussaoui volgde de opleiding MTSplus en studeerde in 2005 af in de richting elektrotechniek. Daarna vervolgde hij zijn opleiding in dezelfde richting op het hbo. In 2012 werd hij docent elektrotechniek bij MBO College Westpoort. Vanaf 2017 is hij opleidingsmanager van het team Elektro- en installatietechniek. 29

Boven Binnentuin CEC Ganzenhoef (met overkapping) Links Gebouw Streekschool Westerstraat 30 Opgroeien

Boven Frans Schijff, voorzitter eerste Raad van Toezicht voor het wandbord ROC van Amsterdam Links Eva Weber Onder Wim Westheider FOTO: GEMEENTE NIJMEGEN 1999 1997 2003 31

Boven Minister-president Wim Kok bezoekt het centrum voor inburgering aan de Elisabeth Wolffstraat, november 2001, rechts van hem Hans Schutte Rechts Da Costastraat 90 (1990) 2001 FOTO: © STADSARCHIEF AMSTERDAM 32 Opgroeien

Boven Leerling metaalbewerking op de 3e LTS (1975) Links Linksboven het ETS-­ gebouw, Korte Ouderkerkerdijk FOTO: © STADSARCHIEF AMSTERDAM 33 1997 2003

lthans, zo ervoeren de musici het. Ze bepleitten een transfer naar het Hout- en Meubileringscollege, een school die om onnavolgbare redenen buiten de reeks fusies was gebleven. ‘Andere huisvesting binnen het roc leverde geen beter onderwijsklimaat op’, schreef de tijdelijke directie van het ROC van Amsterdam gedwee aan het Algemeen Bestuur. En zo gingen de violisten en de machinebankwerkers uit elkaar. De culturen botsten niet overal zo duidelijk maar standsverschillen tussen de fuserende scholen doken op meer plekken op. Verschillen die ook ontstonden binnen opleidingen tussen voorheen gescheiden niveaus. Het draaide om cultuur, om taalgebruik, om status, om imago. Vooral de streekscholen waren nogal eens betrokken bij de botsingen tussen standen; zij werden gezien als ruwe types die het gemiddelde niveau van de school niet omhoog krikken. Die typering gold niet alleen voor de leerlingen, ook de docenten en directies van de streekscholen werden door hun toekomstige collega’s met enige reserve aangekeken. Toen in de aanloop van de roc-vorming Loes Lauteslager, conrector van de Joke Smit School voor volwassenenonderwijs (meest havo, vwo), op bezoek ging bij Frans Sneijders, directeur van de Streekschool Westerstraat, — gewoon, om even kennis te maken — leek het wel of de barones op de koffie ging bij de tuinman. Ze voelden zich allebei niet op hun gemak. Pietje Bell van het onderwijsbestel Op zolder van de Streekschool Westerstraat was in januari 1997 de tweejarige opleiding Pianotechniek gehuisvest, een onderhuurder met precies tien leerlingen. Het waren goeddeels mensen van middelbare leeftijd, waaronder een geblesseerde violiste die zich wilde omscholen tot pianostemmer. Een gedistingeerde dame om het even simpel te zeggen. Dat stak schril af tegen de jongeren in blauwe overalls die een verdieping lager de afdelingen metaal en motorvoertuigentechniek bevolkten. 34 Opgroeien

De laptop is een onmisbaar instrument voor de autotechnicus van nu De streekscholen waren pas rond 1980 opgericht, eigenlijk als inlossing van een oude belofte om arbeiderskinderen vooruit te helpen. Een heel oude belofte. Het was namelijk de Arbeidswet uit 1919 die voorschreef dat werkende jongeren vanaf hun 14e recht hadden op minimaal één dag in de week vorming of onderwijs. In de praktijk kwam hier weinig van terecht. Eind jaren zestig volgden 330.000 werkende jongens en meisjes tussen de 14 en 17 jaar geen enkele vorm van onderwijs. Overheid en bedrijfsleven vonden dit geen probleem, de jongeren zelf wel. Op 1 november 1969 gingen tienduizend werkende jongeren de straat op met als belangrijkste eis ‘onderwijs’. De politiek schrok wakker en met het fenomeen streekschool werd vormgegeven aan de ontwikkelkansen van werkende jongeren. Door ‘levensecht te leren’, of het nu om de bouw, de metaal of de handel ging, door vormingswerk zodat de kansarme jongeren als actieve burgers konden participeren, en door na verloop van tijd de deur ook open te zetten voor andere mannen en vrouwen die een extra kans nodig hadden. Emancipatie was het sleutelwoord, de streekschool verkoopt nooit ‘nee’, zou je de slogan kunnen noemen. Hans Niehe was oprichter en directeur van de Streekschool Amstelveen en ook landelijk een leidende figuur in de wereld van streekscholen en Kmbo (deze korte mboEind jaren zestig volgden 330.000 werkende jongens en meisjes tussen de 14 en 17 jaar geen enkele vorm van onderwijs 35 1997 2003

Opleiding Pianotechniek op de locatie Streekschool Westerstraat 1997 36 Opgroeien

37 1997 2003

opleiding was feitelijk de voltijds-streekschool voor werkloze jongeren die een lange schoolloopbaan niet aankonden). Hij propageerde met onorthodoxe middelen een nauwe samenwerking met bedrijven, regelde motoren en auto’s bij de dealer om de hoek, liet schapen het gras rond de school kort houden en liet leerlingen eigenwaarde ontwikkelen: ‘Werken èn leren, daar ging het om. De docent begeleidt het leren van de leerling. We zeiden: “de docent geeft, de leerling beleeft”’. Vlak voor de roc-vorming moest Niehe vertrekken bij ‘zijn’ streekschool. Bij de fusies met twee andere streekscholen delfde hij het onderspit. Het opgaan in het ROC van Amsterdam kort daarna heeft hij van een afstand bekeken, maar wel betrokken genoeg om er een duidelijke mening over te hebben: ‘Die roc-vorming voelde als een identiteitsroof. De hele mentaliteit van de streekschool is daardoor verdwenen. Er was geen aandacht voor de leerling en zijn ontwikkeling, het leek alleen maar te draaien om de macht.’ Hoe begrijpelijk zijn wrevel ook was, de tijd heeft intussen helend werk verricht. Wie nú rondloopt op bijvoorbeeld de afdelingen techniek van MBO College Westpoort, ziet juist elementen uit de traditie van de streekschool glimmen en glanzen: aandacht voor de leerling, aandacht voor zijn of haar ontwikkeling. De term streekschool mag verdwenen zijn, het dna zit nog overal. Emancipatie was het sleutelwoord, de streekschool verkoopt nooit ‘nee’ Demonstratie werkende jongeren voor dagonderwijs, 1 november 1969 FOTO: © NATIONAAL ARCHIEF/BERT VERHOEFF/ANEFO 38 Opgroeien

samengevoegd. Bovendien waren ook enkele losse vbo1-scholen hier ondergebracht, met name op vakgebieden als ‘brood en banket’, horeca en administratie. Dat het technisch onderwijs hier nagenoeg ontbrak deerde Ricardo en Pica niet: straks zouden ze in het roc toch allemaal samenkomen. Dure advocaten pluisden uit dat de wet toestond dat een lagere technische beroepsopleiding zich aansluit bij een middelbare beroepsopleiding. En zo werd het 1997 en moest bij het leggen van de roc-puzzel ook een plekje worden gezocht voor Ricardo zijn scholen — intussen was het smaldeel lager technisch onderwijs al uitgebreid tot een drietal. Op voorwaarde dat hij de zeggenschap over zijn schoolgebouwen opzegde voegde hij zich in het rijtje fusiepartners: naast het veel grotere mbo beklom dus ook de oude lts het roc-podium. Het was oorspronkelijk door de wetgever niet zo bedacht maar de bundeling van krachten was veel aantrekkelijker dan een terugval naar een wankele zelfstandigheid. 1 V oorbereidend beroepsonderwijs, in 1999 samen met de mavo opgegaan in het vmbo Het was voor de 24-jarige Ricardo Winter even wennen: lesgeven aan een klas lastige jongens op de F. van Deinumschool in de Van Ostadestraat, een school voor Individueel Technisch Onderwijs. Toen hij vol energie en ambitie extra opdrachten verzon voor leerlingen die dat nodig hadden, trokken zijn collega’s hem snel aan zijn jasje: zo doen wij dat hier niet! Hoe scheidslijnen vervagen ewoon klassikaal en frontaal je lesjes afdraaien en verder niks, werd hem ingepeperd. Zijn mond viel open. Was dit de heersende opvatting over onderwijs? Hij hield voet bij stuk en dat viel op bij de leiding. Stap voor stap maakte hij carrière in de wereld van het lager technisch onderwijs. Begin jaren negentig was hij opgeklommen tot directeur van de Derde Technische School aan het Timorplein, met medeneming van de F. van Deinumschool. Hij deed er alles aan om samen met bedrijven de kans te verhogen dat zijn leerlingen door zouden stromen naar vervolgopleiding of werk. Met en voor de fabrieken van Stork in Amsterdam-Noord zette hij de beste lasapparatuur neer, de hele kelder werd samen met aannemers omgetoverd tot een bouwplaats waar muurtjes werden gemetseld en kozijnen gesteld. Ondanks deze inspanningen zag de toekomst voor het aparte lager technisch onderwijs er niet goed uit. De stap naar het middelbaar beroepsonderwijs was groot, voor veel van zijn leerlingen was de overgang te ingewikkeld. Het leerlingaantal daalde alsmaar verder en als zelfstandige lagere technische school namen de overlevingskansen van de school aan het Timorplein steeds verder af. Aansluiting bij een grote stevige partner was geboden. Met toestemming van zijn bestuur stapte hij rond 1993 het kantoor van Pica van der Wal binnen, de hoogste baas van het Hoofdstad College waarin al veel mbo-scholen waren 39 1997 2003

Het pragmatisme waarmee het voorbereidend beroepsonderwijs werd opgenomen in het ROC van Amsterdam karakteriseert de werkhouding die de eerste maanden aan de dag werd gelegd. En dat moest ook wel want er waren eenvoudigweg veel praktische problemen die om een oplossing schreeuwden. Voor bespiegelingen over de vraag hóé het middelbaar beroepsonderwijs, de basiseducatie, de streekschool, het voorbereidend beroepsonderwijs en het volwassenenonderwijs elkaar konden bevruchten was geen ruimte. De vragen waar docenten mee zaten (bijvoorbeeld: hoe zorgen we voor een soepele overgang van het laagste niveau naar de hogere niveaus?) moesten ze maar even voor zich houden. Eerst de aardse zaken. Zoals de vervulling van alle banen door interne en externe kandidaten. Daarnaast zorgde vooral het aantal verhuisbewegingen van de verschillende opleidingen voor onrust. Het was eindelijk mogelijk om efficiënter met de ruimte om te gaan: kleine scholen in kleine gebouwen, grote in grote. En opleidingen die veel met elkaar gemeen hadden, konden nu geclusterd worden. Terwijl de sollicitatiebrieven en de bulletins met vacatures elkaar in razend tempo kruisten, reden de verhuiswagens kriskras door de stad. De directie hield het bestuur met in staccato gestelde memo’s op de hoogte. Een korte samenvatting van de schuifplannen uit de eerste drie maanden van 1997: ‘Detailhandel en Administratie gaat van de Burgemeester Haspelslaan naar de Startbaan 26 in Amstelveen. Maar dan moet elektrotechniek van de Startbaan naar de Korte Ouderkerkerdijk 5, dat is ook beter want dan zit alle elektrotechniek bij elkaar. Het Frederiksplein was al deels verhuisd naar de Fred. Roeskestraat zodat alles met automatisering daar nu bijeen kan worden geplaatst en daarna moet de opleiding Haven en Vervoer van de Mosstraat (dat pand is namelijk ongeschikt voor onderwijs) naar de MTS Hendrik de Keijzer. Dan moet de deeltijdopleiding detailhandel van de Wilhelmina Druckerstraat naar de Marius Bauerstraat zodat de cursussen van de basiseducatie daarin kunnen Ricardo Winter als voorzitter ROC Leiden Het was eindelijk mogelijk om efficiënter met de ruimte om te gaan: kleine scholen in kleine gebouwen, grote in grote FOTO: © HANS BIJLSMA 2007 40 Opgroeien

RkJQdWJsaXNoZXIy ODY1MjQ=