Energievisie Borne

Samen stapsgewijs naar een CO 2 -neutraal Borne 28 Woningen van na 1992 zijn relatief goed geïsoleerd of relatief makkelijk te isoleren. Dit heeft te maken met het Bouwbesluit 1992, waar een eis is opgenomen voor de isolatiewaarde van een nieuwbouwwoning. Bij woningen gebouwd vóór 1992 zijn er sterke verschillen in isolatiewaarde en moet deze per woning worden vastgesteld. In deze visie is daarom vaak een onderscheid gemaakt bij een techniekkeuze tussen woningen gebouwd na 1992 en woningen gebouwd vóór 1992. In realiteit hoeft deze grens niet zo scherp te zijn en zijn ook veel woningen gebouwd na 1980 geschikt voor lage temperatuurwarmte wanneer vloer, ramen en dak zijn geïsoleerd. Meer informatie over bouwjaren en isolatiegraden staat in bijlage 2. 5.5 Beschikbare warmtebronnen in Borne Warmtebronnen met een hoge temperatuur (HT) zijn vaak schaars en niet overal beschikbaar. Lage temperatuur (LT) bronnen zijn minder schaars, omdat overal om ons heen lage temperatuur beschikbaar is in de vorm van omgevingswarmte. Zo kunnen we warmte halen uit de lucht, uit water of uit de bodem. De opgave is om te zoeken naar een optimale mix van warmtebronnen, passend bij de type woningen en de warmtevraag in Borne. Besparen en isoleren is een belangrijk onderdeel van de transitieopgave. Dit brengt de totale warmtevraag omlaag, waardoor minder warmte nodig is en meer woningen gebruik kunnen maken van een warmtebron. VAN HET AARDGAS AF In de jaren ’60 gingen we in Nederland over van kolen op aardgas. Nu, zo’n 60 jaar later, staat Nederland opnieuw voor een transitie: van aardgas naar duurzame warmte. Anders dan de energietransitie in de jaren ’60 kent de energietransitie nu diverse alternatieve technieken, met verschillende temperaturen, die elk voor- en nadelen kennen. Daarbij zijn oplossingen vaak lokaal of regionaal van aard en vraagt de ene techniek om meer en andere aanpassingen aan gebouwen dan andere. Om de verschillende technieken te onderscheiden delen we ze op hoofdlijn in naar het type infrastructuur, zie het kader op de volgende pagina. Er zijn drie typen infrastructuren voor de verwarming van woningen: een warmtenet, elektriciteitsnet en gasnet. Deze infrastructuren worden gevoed met energiebronnen, bijvoorbeeld aardwarmte (geothermie), energie van zon, wind of water, restwarmte van bedrijven of duurzame gassen (groengas of waterstof). Meer informatie over verschillende technieken en bronnen staat in bijlage 3. Drie manieren om je huis alternatief te verwarmen Warmtenetten: netwerken van warm water om gebouwen mee te verwarmen. Mogelijke energiebronnen zijn aardwarmte, restwarmte van bedrijven en vormen van aquathermie zoals warmte uit oppervlaktewater of rioolzuiveringswater. Afhankelijk van de bron kan de leveringstemperatuur van een warmtenet verschillen van HT, MT tot LT. Individueel (all-electric): woningen worden elektrisch verwarmd, meestal met een warmtepomp. Warmtepompen verwarmen met een lage temperatuur. Als bron wordt de temperatuur uit de lucht, bodem of grondwater gebruikt. Deze techniek wordt vaak op individueel woningniveau toegepast, maar kan ook op grotere schaal. Een wijk all-electric maken vraagt vaak om een verzwaring van het elektriciteitsnet. Gasnetten: gasnetten kunnen duurzame, hoge temperatuur gassen als groengas en waterstofgas naar woningen vervoeren. De beschikbaarheid en marktrijpheid van deze gassen is nog deels onbekend. De vraag naar duurzaam gas kan worden verminderd door de inzet van hybride warmtepompen. Deze verwarmen met elektriciteit en schakelen enkel bij koude dagen over op gas.

RkJQdWJsaXNoZXIy ODY1MjQ=